Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-03
ECLI:NL:CRVB:2024:862
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,354 tokens
Inleiding
23/1922 AOW
Datum uitspraak: 3 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2023, 22/1931 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats 1] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
In geschil is of appellant recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van de AOW. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de Svb terecht de aanvraag heeft afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 maart 2024. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft in juli 2017 bij de Svb een pensioenoverzicht aangevraagd. Daarbij heeft hij gesteld dat hij van 1976 tot en met 1983 in Nederland ( [woonplaats 2] ) heeft gewoond. Appellant heeft slachthuizen in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] en [werkgevers] in [plaatsnaam 3] als werkgevers genoemd. In een pensioenoverzicht van 11 oktober 2017 heeft de Svb vastgesteld dat appellant niet verzekerd is geweest op grond van de AOW.
1.2.
Op 12 januari 2021 heeft appellant bij de Svb een AOW-pensioen aangevraagd. Daarbij heeft hij de onder 1.1 genoemde werkgevers herhaald. In aanvulling daarop heeft appellant opgegeven dat hij in de landbouw heeft gewerkt in Hoek van Holland en Waalwijk. Bij besluit van 23 april 2021 heeft de Svb de aanvraag afgewezen, omdat appellant niet verzekerd is voor de AOW. Bij het bestreden besluit van 7 december 2021 is het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de Svb is niet aannemelijk geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Nederland heeft gewoond of gewerkt. De Svb heeft voldoende onderzoek gedaan. In het kader van het pensioenoverzicht in 2017 heeft de Svb informatie opgevraagd bij de gemeente [plaatsnaam 1], Initial BV, Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Vlees- en Vleeswarenindustrie en de Gemaksvoedingsindustrie en Bedrijfspensioenfonds MITT. Naar aanleiding van de mededeling van appellant dat hij mogelijk de verkeerde naam en geboortedatum heeft doorgegeven, heeft de Svb nogmaals om informatie gevraagd bij deze instanties. Appellant is bij geen van deze instanties bekend. Ook bij het Schakelregister is appellant niet bekend. Aangezien niet is komen vast te staan dat appellant in Nederland heeft gewoond en gewerkt, heeft de Svb de aanvraag terecht afgewezen, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank omdat hij van mening is dat hij recht heeft op een AOW-pensioen. Hij zou vanaf 1977 ruim vijf jaar in Nederland hebben gewerkt bij de eerder door hem genoemde werkgevers. Verder zou hij ook bij de haven in Rotterdam hebben gewerkt.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In geschil is of appellant verzekerd is geweest voor de AOW.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen genoemd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen.
4.3.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voldoende besproken en gemotiveerd dat de Svb terecht geen AOW-pensioen heeft toegekend. De Raad is het met de uitspraak van de rechtbank eens en neemt de overwegingen daarvan over. De Svb heeft in hoger beroep ter volledigheid nog onderzoek gedaan bij het havenbedrijf Rotterdam. Ook heeft de Svb nogmaals onderzoek gedaan bij de gemeente [plaatsnaam 1] onder de verschillende geboortedata van appellant. Dit onderzoek heeft echter niets opgeleverd. Het is niet aannemelijk geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Dit betekent dat appellant niet verzekerd is voor de AOW en daarom geen recht heeft op een AOW-pensioen.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op een AOW-pensioen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.L. Noort, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2024.
(getekend) M.L. Noort
(getekend) R.R. Olde Engberink
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene Ouderdomswet
Artikel 6 AOW
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
(…)
Algemene Ouderdomswet.
Inleiding
23/1922 AOW
Datum uitspraak: 3 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2023, 22/1931 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats 1] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
In geschil is of appellant recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van de AOW. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de Svb terecht de aanvraag heeft afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 maart 2024. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft in juli 2017 bij de Svb een pensioenoverzicht aangevraagd. Daarbij heeft hij gesteld dat hij van 1976 tot en met 1983 in Nederland ( [woonplaats 2] ) heeft gewoond. Appellant heeft slachthuizen in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] en [werkgevers] in [plaatsnaam 3] als werkgevers genoemd. In een pensioenoverzicht van 11 oktober 2017 heeft de Svb vastgesteld dat appellant niet verzekerd is geweest op grond van de AOW.
1.2.
Op 12 januari 2021 heeft appellant bij de Svb een AOW-pensioen aangevraagd. Daarbij heeft hij de onder 1.1 genoemde werkgevers herhaald. In aanvulling daarop heeft appellant opgegeven dat hij in de landbouw heeft gewerkt in Hoek van Holland en Waalwijk. Bij besluit van 23 april 2021 heeft de Svb de aanvraag afgewezen, omdat appellant niet verzekerd is voor de AOW. Bij het bestreden besluit van 7 december 2021 is het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de Svb is niet aannemelijk geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Nederland heeft gewoond of gewerkt. De Svb heeft voldoende onderzoek gedaan. In het kader van het pensioenoverzicht in 2017 heeft de Svb informatie opgevraagd bij de gemeente [plaatsnaam 1], Initial BV, Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Vlees- en Vleeswarenindustrie en de Gemaksvoedingsindustrie en Bedrijfspensioenfonds MITT. Naar aanleiding van de mededeling van appellant dat hij mogelijk de verkeerde naam en geboortedatum heeft doorgegeven, heeft de Svb nogmaals om informatie gevraagd bij deze instanties. Appellant is bij geen van deze instanties bekend. Ook bij het Schakelregister is appellant niet bekend. Aangezien niet is komen vast te staan dat appellant in Nederland heeft gewoond en gewerkt, heeft de Svb de aanvraag terecht afgewezen, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank omdat hij van mening is dat hij recht heeft op een AOW-pensioen. Hij zou vanaf 1977 ruim vijf jaar in Nederland hebben gewerkt bij de eerder door hem genoemde werkgevers. Verder zou hij ook bij de haven in Rotterdam hebben gewerkt.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In geschil is of appellant verzekerd is geweest voor de AOW.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen genoemd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen.
4.3.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voldoende besproken en gemotiveerd dat de Svb terecht geen AOW-pensioen heeft toegekend. De Raad is het met de uitspraak van de rechtbank eens en neemt de overwegingen daarvan over. De Svb heeft in hoger beroep ter volledigheid nog onderzoek gedaan bij het havenbedrijf Rotterdam. Ook heeft de Svb nogmaals onderzoek gedaan bij de gemeente [plaatsnaam 1] onder de verschillende geboortedata van appellant. Dit onderzoek heeft echter niets opgeleverd. Het is niet aannemelijk geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Dit betekent dat appellant niet verzekerd is voor de AOW en daarom geen recht heeft op een AOW-pensioen.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op een AOW-pensioen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.L. Noort, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2024.
(getekend) M.L. Noort
(getekend) R.R. Olde Engberink
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene Ouderdomswet
Artikel 6 AOW
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
(…)
Algemene Ouderdomswet.