Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-02
ECLI:NL:CRVB:2024:742
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,944 tokens
Inleiding
22/2279 PW-PV en 22/2281 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 juli 2022, 20/6629 en 20/6630 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)
Datum uitspraak: 2 april 2024
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: S. Ploum
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Haring en mr. E.F.M. Jekel, kantoorgenoten van mr. G.J. Mulder.
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. de Roos.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Dat betekent dat appellant geen gelijk krijgt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaken om intrekking van bijstand over de maand maart 2020, terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 1.052,32 en een boete van € 263,-. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij een handelshoeveelheid aan (hard)drugs in zijn woning had. Voor de boete is het college uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluiten ongegrond verklaard.
Intrekking en terugvordering
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Niet in geschil is dat de politie op 21 maart 2020 verspreid in de woning van appellant een aanzienlijke hoeveelheid drugs, bestaande uit ongeveer 250 gram aan MDMA, cocaïne, crack en hasj heeft aangetroffen, en verder verpakkingsmateriaal zoals gripzakjes en envelopjes. Dat appellant niets wist van de drugs in zijn woning en dat die van zijn op 26 juli 2019 overleden partner waren is niet geloofwaardig, gelet op de plekken waar de drugs zijn aangetroffen zoals in lades, in een theepot en in een jaszak, en gelet ook op de duidelijke verklaringen en meldingen door buurtbewoners van overlast van zowel voor als na het overlijden van zijn partner. Dat de officier van justitie appellant geen handel in verdovende middelen ten laste heeft gelegd, maar het in bezit hebben van verdovende middelen, neemt niet weg dat in de woning van appellant een handelshoeveelheid (hard)drugs is aangetroffen waarvan appellant in het kader van zijn inlichtingenverplichting melding had moeten maken.
Boete
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college heeft aangetoond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de handelshoeveelheid (hard)drugs in zijn woning en dat appellant van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt kan worden gemaakt. Het college was dan ook verplicht een boete op te leggen.
De beroepsgrond dat het college wegens dringende redenen van een boete had moeten afzien slaagt niet. Wat appellant heeft gesteld over zijn rouwproces en de sluiting van zijn woning door de burgemeester, is geen gevolg van de boete. De opgelegde boete is, anders dan appellant heeft aangevoerd, evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) A.M. Overbeeke
Inleiding
22/2279 PW-PV en 22/2281 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 juli 2022, 20/6629 en 20/6630 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)
Datum uitspraak: 2 april 2024
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: S. Ploum
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Haring en mr. E.F.M. Jekel, kantoorgenoten van mr. G.J. Mulder.
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. de Roos.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Dat betekent dat appellant geen gelijk krijgt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaken om intrekking van bijstand over de maand maart 2020, terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 1.052,32 en een boete van € 263,-. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij een handelshoeveelheid aan (hard)drugs in zijn woning had. Voor de boete is het college uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluiten ongegrond verklaard.
Intrekking en terugvordering
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Niet in geschil is dat de politie op 21 maart 2020 verspreid in de woning van appellant een aanzienlijke hoeveelheid drugs, bestaande uit ongeveer 250 gram aan MDMA, cocaïne, crack en hasj heeft aangetroffen, en verder verpakkingsmateriaal zoals gripzakjes en envelopjes. Dat appellant niets wist van de drugs in zijn woning en dat die van zijn op 26 juli 2019 overleden partner waren is niet geloofwaardig, gelet op de plekken waar de drugs zijn aangetroffen zoals in lades, in een theepot en in een jaszak, en gelet ook op de duidelijke verklaringen en meldingen door buurtbewoners van overlast van zowel voor als na het overlijden van zijn partner. Dat de officier van justitie appellant geen handel in verdovende middelen ten laste heeft gelegd, maar het in bezit hebben van verdovende middelen, neemt niet weg dat in de woning van appellant een handelshoeveelheid (hard)drugs is aangetroffen waarvan appellant in het kader van zijn inlichtingenverplichting melding had moeten maken.
Boete
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college heeft aangetoond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de handelshoeveelheid (hard)drugs in zijn woning en dat appellant van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt kan worden gemaakt. Het college was dan ook verplicht een boete op te leggen.
De beroepsgrond dat het college wegens dringende redenen van een boete had moeten afzien slaagt niet. Wat appellant heeft gesteld over zijn rouwproces en de sluiting van zijn woning door de burgemeester, is geen gevolg van de boete. De opgelegde boete is, anders dan appellant heeft aangevoerd, evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) A.M. Overbeeke