Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-02
ECLI:NL:CRVB:2024:740
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,128 tokens
Inleiding
23945 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2023, 22/3466 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Fijnder (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 2 april 2024
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: S. Ploum
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Kaya, advocaat. Verder is verschenen [X], begeleidster van appellant. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.E. Brons.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Dat betekent dat appellant geen gelijk krijgt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
2. Appellant heeft op 6 januari 2022 een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Met een besluit van 13 januari 2022 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het dagelijks bestuur is met een besluit van 1 juni 2022 (bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant in de maanden juli 2020, augustus 2020 en september 2020 tien bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen van zijn ouders tot een totaalbedrag van € 375,- en dat zijn inkomen, mede gelet op zijn Wajong-uitkering, in de referteperiode van 36 maanden hoger is geweest dan 105% van de bijstandsnorm. Het dagelijks bestuur heeft dit besluit gebaseerd op artikel 36 van de PW en artikel 7.4.1. van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Berkelland houdende regels omtrent sociaal domein (Verordening).
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
4. Anders dan appellant heeft aangevoerd heeft het dagelijks bestuur de ontvangen bedragen op de bankrekening terecht aangemerkt als inkomen. Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen inkomsten. De stelling dat het gaat om geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Bovendien worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan een betrokkene als inkomsten aangemerkt als hij daarover vrij kan beschikken en maakt de vorm van die betalingen geen verschil.
5. Appellant heeft aangevoerd dat artikel 7.4.1. van de Verordening, voor zover daarin de voorwaarde is opgenomen dat de aanvrager in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 105% van de bijstandsnorm, in strijd is met artikel 36 van de PW, in het bijzonder met de leden 1 en 3 van dat artikel. Het eerste lid spreekt immers van langdurig laag inkomen en niet van ononderbroken 36 maanden voorafgaande aan de aanvraag en op grond van het derde lid is het mogelijk jaarlijks een aanvraag te doen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Uit artikel 8 van de PW volgt dat het aan de gemeenteraad is om invulling te geven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. De gemeenten zijn vrij in de wijze waarop zij invulling geven aan deze begrippen. In artikel 7.4.1. van de Verordening is hieraan invulling gegeven door op te nemen dat de inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 105% van de bijstandsnorm.
5.2.
Anders dan appellant meent betekent het bepaalde in artikel 36, derde lid, van de PW niet dat het aanhouden van een langere referteperiode dan een jaar in strijd met de wet is. In artikel 36, derde lid, van de PW staat alleen dat een aanvraag wordt afgewezen indien deze wordt gedaan binnen twaalf maanden nadat een individuele inkomenstoeslag is verleend.
6. Appellant heeft verder aangevoerd dat de afwijzing van de aanvraag wegens de geringe overschrijding van het inkomen in drie maanden, zeker als het inkomen gemiddeld wordt over de gehele periode van 36 maanden, onevenredig is. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele stelling van appellant dat de afwijzing van zijn aanvraag nadelige financiële gevolgen voor hem heeft omdat hij hierdoor ongeveer € 400,- misloopt terwijl de overschrijding van de hoogte van zijn inkomen in de referteperiode is veroorzaakt door een bedrag van € 375,- en dat dit hem drie jaar achtervolgt onvoldoende is om de afwijzing als onevenredig te beoordelen. Appellant heeft verder niet onderbouwd op grond van welke andere feiten en omstandigheden de afwijzing onevenredig is.
7. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten en het griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) A.M. Overbeeke
Zie de uitspraken van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3296 en 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2263.
Zie de uitspraak van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207.
Inleiding
23945 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2023, 22/3466 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Fijnder (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 2 april 2024
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: S. Ploum
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Kaya, advocaat. Verder is verschenen [X], begeleidster van appellant. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.E. Brons.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Dat betekent dat appellant geen gelijk krijgt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
2. Appellant heeft op 6 januari 2022 een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Met een besluit van 13 januari 2022 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het dagelijks bestuur is met een besluit van 1 juni 2022 (bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant in de maanden juli 2020, augustus 2020 en september 2020 tien bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen van zijn ouders tot een totaalbedrag van € 375,- en dat zijn inkomen, mede gelet op zijn Wajong-uitkering, in de referteperiode van 36 maanden hoger is geweest dan 105% van de bijstandsnorm. Het dagelijks bestuur heeft dit besluit gebaseerd op artikel 36 van de PW en artikel 7.4.1. van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Berkelland houdende regels omtrent sociaal domein (Verordening).
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
4. Anders dan appellant heeft aangevoerd heeft het dagelijks bestuur de ontvangen bedragen op de bankrekening terecht aangemerkt als inkomen. Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen inkomsten. De stelling dat het gaat om geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Bovendien worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan een betrokkene als inkomsten aangemerkt als hij daarover vrij kan beschikken en maakt de vorm van die betalingen geen verschil.
5. Appellant heeft aangevoerd dat artikel 7.4.1. van de Verordening, voor zover daarin de voorwaarde is opgenomen dat de aanvrager in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 105% van de bijstandsnorm, in strijd is met artikel 36 van de PW, in het bijzonder met de leden 1 en 3 van dat artikel. Het eerste lid spreekt immers van langdurig laag inkomen en niet van ononderbroken 36 maanden voorafgaande aan de aanvraag en op grond van het derde lid is het mogelijk jaarlijks een aanvraag te doen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Uit artikel 8 van de PW volgt dat het aan de gemeenteraad is om invulling te geven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. De gemeenten zijn vrij in de wijze waarop zij invulling geven aan deze begrippen. In artikel 7.4.1. van de Verordening is hieraan invulling gegeven door op te nemen dat de inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 105% van de bijstandsnorm.
5.2.
Anders dan appellant meent betekent het bepaalde in artikel 36, derde lid, van de PW niet dat het aanhouden van een langere referteperiode dan een jaar in strijd met de wet is. In artikel 36, derde lid, van de PW staat alleen dat een aanvraag wordt afgewezen indien deze wordt gedaan binnen twaalf maanden nadat een individuele inkomenstoeslag is verleend.
6. Appellant heeft verder aangevoerd dat de afwijzing van de aanvraag wegens de geringe overschrijding van het inkomen in drie maanden, zeker als het inkomen gemiddeld wordt over de gehele periode van 36 maanden, onevenredig is. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele stelling van appellant dat de afwijzing van zijn aanvraag nadelige financiële gevolgen voor hem heeft omdat hij hierdoor ongeveer € 400,- misloopt terwijl de overschrijding van de hoogte van zijn inkomen in de referteperiode is veroorzaakt door een bedrag van € 375,- en dat dit hem drie jaar achtervolgt onvoldoende is om de afwijzing als onevenredig te beoordelen. Appellant heeft verder niet onderbouwd op grond van welke andere feiten en omstandigheden de afwijzing onevenredig is.
7. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten en het griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) A.M. Overbeeke
Zie de uitspraken van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3296 en 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2263.
Zie de uitspraak van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207.