Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-03
ECLI:NL:CRVB:2024:663
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
7,618 tokens
Inleiding
22/3309 WIA
Datum uitspraak: 3 april 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
9 september 2022, 22/2611 en 22/2811 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het verzoek van appellant om terug te komen van besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009 heeft afgewezen. Volgens appellant is sprake van evidente onredelijkheid en dient het dagloon van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) te worden verhoogd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.M. van der Horn, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 februari 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van der Horn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als meewerkend bedrijfsleider bij dakdekkersbedrijf [bedrijf] het bedrijf van zijn zoon. Op 12 juni 2006 heeft appellant zich ziekgemeld met long- en beenklachten, en het Uwv heeft hem met ingang van deze datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Terwijl appellant op arbeidstherapeutische basis aan het werk was, heeft hij op 16 januari 2008 een auto-ongeval gehad waarna appellant tinnitusklachten en psychische klachten heeft gekregen. Hij heeft daarna in een beperkt aantal uren gewerkt. Met een besluit van 4 april 2008 heeft het Uwv een aanvraag voor een WIA-uitkering van appellant opgeschort en de loondoorbetalingsverplichting van zijn werkgever verlengd tot 8 juni 2009.
1.2.
Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 9 juni 2009 een
IVA-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 57,09. Op verzoek van
appellant heeft het Uwv met een besluit van 27 februari 2013 met toepassing van artikel 64, twaalfde lid van de Wet WIA het dagloon vanaf 11 januari 2012, een jaar voorafgaand aan het verzoek van appellant, herzien. Het Uwv heeft de hoogte van het dagloon met ingang van 9 juni 2009 berekend op €77,08, en het dagloon na indexering per 11 januari 2012 vastgesteld op €80,72. Bij uitspraak van 9 maart 2016 heeft de Raad geoordeeld dat appellant met dit besluit niet is benadeeld en dat geen aanleiding bestaat voor een hoger dagloon.
1.3
Bij besluit van 24 mei 2016, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 28 december 2016, heeft het Uwv een nieuw verzoek van appellant om (verdergaand) terug te komen van het besluit van 4 augustus 2009 afgewezen, omdat geen sprake was van nieuwe feiten. Met een beslissing op bezwaar van 3 januari 2018 heeft het Uwv het dagloon van appellant alsnog met terugwerkende kracht met ingang van 9 juni 2009 herzien naar € 77,08. Bij uitspraak van 21 augustus 2019 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv terecht is uitgegaan van 12 juni 2006 als eerste ziektedag, dat niet gebleken is dat appellant gedurende de wachttijd op enig moment niet langer arbeidsongeschikt was en dat het Uwv terecht van 12 juni 2006 is uitgegaan als eerste ziektedag voor het bepalen van de referteperiode en het dagloon. Verder heeft de Raad overwogen dat het Uwv het dagloon terecht heeft berekend op grond van het loon dat appellant in de referteperiode van 15 augustus 2005 tot en met 21 mei 2006 heeft genoten en dat geen aanleiding bestaat om de uitkomst van de dagloonberekening onjuist te achten.
1.4.
Op 24 mei 2018 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van de besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009. Bij besluit van 8 augustus 2018 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om hier verdergaand van terug te komen en deze besluiten ook niet evident onredelijk zijn. Met de uitspraak van 26 oktober 2020 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv dit verzoek van appellant met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mocht afwijzen omdat apppellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. De Raad heeft, onder verwijzing naar wat in zijn uitspraak van 21 augustus 2019 is overwogen over de eerste ziektedag en de te hanteren referteperiode, geen aanleiding gezien om het besluit evident onredelijk te achten.
1.5.
Op 12 januari 2019 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht om terug te komen van de
besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009. Bij besluit van 7 januari 2020 heeft het Uwv
dit verzoek afgewezen. Met de uitspraak van 13 september 2021 heeft de Raad geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd en dat niet is gebleken van kennelijke onredelijkheid. Appellant heeft in die procedure gesteld dat hij in juni 2008 volledig aan het werk was en pas eind 2008, begin 2009 arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA is geworden. De Raad heeft overwogen dat de loondoorbetalingsverplichting destijds waarschijnlijk ten onrechte aan zijn ex-werkgever is opgelegd en dat per juni 2008 een WIA-beoordeling had moeten plaatsvinden. De Raad is appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat vanaf juni 2008 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Uit de stukken blijkt niet dat appellant gewerkt heeft. In een brief van Lentis van 13 mei 2013 is vermeld dat appellant sinds 5 oktober 2009 in behandeling is wegens ernstige tinnitus, gecompliceerd door psychische klachten die zijn begonnen na een auto-ongeval in januari 2008. In een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 oktober 2008 is vermeld dat op 20 december 2007 en op 20 maart 2008 is vastgesteld dat terugkeer naar het eigen werk niet mogelijk was gezien de beperkingen van verzoeker. Op 31 maart 2008 is vastgesteld dat binnen het bedrijf geen passend werk voorhanden was en is een extern re-integratietraject geadviseerd. Tijdens de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 21 augustus 2019 heeft appellant gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 16 januari 2008 is omdat als gevolg van het auto-ongeval op die dag volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is ontstaan. Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft de Raad het verzoek van appellant om zijn uitspraak van 13 september 2021 te herzien afgewezen, omdat appellant niet heeft voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
1.6.
Op 6 augustus 2021 heeft appellant het Uwv nogmaals verzocht om terug te komen van de besluiten 4 april 2008 en 4 augustus 2009 omdat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte was vastgesteld op 12 juni 2006. Er was sprake van herstel en van nieuw bedongen arbeid per 8 juni 2008. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij pas per 1 januari 2009 arbeidsongeschikt is geworden waardoor een nieuwe wachttijd is gaan lopen en een andere referteperiode geldt. Bij besluit van 5 januari 2022 heeft het Uwv dit verzoek van appellant afgewezen, omdat hij geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om op de eerdere besluiten terug te komen. Het bezwaar dat appellant tegen dit besluit heeft ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat hij vanaf eind 2006 tot september 2009 lichte aangepaste werkzaamheden heeft aangevoerd maar uit niets blijkt dat hij zijn werk volledig heeft hervat. Bovendien had appellant de nu ingebrachte gegevens eerder kunnen inbrengen. Ook is geen sprake van evidente onredelijkheid. Nu appellant al een IVA uitkering ontvangt kan de door hem aangevraagde Amber beoordeling geen gevolgen hebben voor zijn uitkering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden bestond om terug te komen van de eerdere besluiten. Naar haar oordeel heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er nieuw gebleken relevante feiten of veranderde omstandigheden zijn. De rechtbank heeft overwogen dat er voor appellant geen beletsel is geweest om de door hem ingediende verklaringen van zijn toenmalige werkgever en een collega, de orderpapieren en de loonstroken over 2008, in een eerdere procedure in te dienen. De rechtbank heeft het niet onaannemelijk geacht dat appellant het memo van 12 augustus 2014 van de psychiater aan de huisarts niet eerder dan begin 2022 onder ogen kreeg.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de besluiten 4 april 2008 en 4 augustus 2009, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.1.
Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, is de aanvrager gehouden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
4.1.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 december 2016 kan de bestuursrechter aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.1.
De stukken die appellant in hoger beroep heeft ingediend geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de referteperiode en de juistheid van de hoogte van het dagloon zijn onderwerp van geschil geweest in diverse beslissingen van het Uwv, waarover de Raad op 9 maart 2016, 21 augustus 2019, 26 oktober 2020 en 13 september 2021 uitspraken heeft gedaan. Uit een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 november 2008 blijkt dat een onderzoek heeft plaats gevonden in verband met een door de ex-werkgever aangevraagd deskundigenoordeel over de loonsanctie. De arbeidsdeskundige heeft daarbij met zowel appellant als met zijn ex-werkgever gesproken. Uit dit rapport blijkt dat in maart 2008 terugkeer in het eigen werk niet mogelijk werd geacht en dat binnen het bedrijf geen passend werk voorhanden was. In de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2019, en derhalve nog geruime tijd nadien, heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij sinds 16 januari 2008, als gevolg van zijn auto-ongeval, volledig arbeidsongeschikt is. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag, het voortduren van de arbeidsongeschiktheid en de referteperiode zijn uitvoerig aan de orde geweest in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 13 september 2021. Tijdens de zitting in die procedure heeft het Uwv gesteld dat de besluitvorming met betrekking tot de loonsanctie op basis van het feit dat appellant gehandicapt was misschien anders had moeten worden aangepakt. Zoals de Raad ook al op 13 september 2021 heeft overwogen kan hieruit niet worden afgeleid dat appellant niet doorlopend arbeidsongeschikt is gebleven vanaf 12 juni 2006. Of in deze periode sprake is geweest van toegenomen klachten, al dan niet uit een andere oorzaak, is dan ook niet relevant nu een amber-beoordeling gedurende de wachttijd niet aan de orde is en appellant na afloop van de wachttijd volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geacht. In de door de ex-werkgever opgestelde verklaring van 14 maart 2022 wordt vermeld dat appellant zich, nadat de ZW-uitkering werd beëindigd, gedurende 40 uur per week heeft bezig gehouden met administratieve werkzaamheden. Een verklaring voor het achterwege blijven van een hersteldmelding of verzoek tot verkorting van de loonsanctie ontbreekt. De verklaring van de ex-werkgever van appellant wordt niet gesteund door de overige gegevens in het dossier en staat haaks op het door appellant eerder ingenomen standpunt over de aanvang en omvang van zijn arbeidsongeschiktheid en op de mededelingen die zowel door appellant als de ex-werkgever op 21 november 2018 aan de arbeidsdeskundige zijn gedaan bij de beoordeling van de re-integratieverplichtingen. Dat appellant op meer dan arbeidstherapeutische basis werkzaam is geweest gedurende de wachttijd is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Daargelaten dat de verklaring van de ex-werkgever, de orderbrieven en loonstroken eerder hadden kunnen worden overgelegd heeft het Uvw hierin terecht geen aanleiding gezien terug te komen op de beslissingen van 4 april 2008 en 4 augustus 2009. Ook volgt de Raad de rechtbank in het oordeel dat van evidente onredelijkheid niet gebleken is.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) A.M. Korver
ECLI:NL:CRVB:2016:820
ECLI:NL:CRVB:2019:2869.
ECLI:NL:CRVB:2020:2597.
ECLI:NL:CRVB:2021:2394.
ECLI:NL:CRVB:2022:832
ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Inleiding
22/3309 WIA
Datum uitspraak: 3 april 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
9 september 2022, 22/2611 en 22/2811 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het verzoek van appellant om terug te komen van besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009 heeft afgewezen. Volgens appellant is sprake van evidente onredelijkheid en dient het dagloon van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) te worden verhoogd. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.M. van der Horn, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 februari 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van der Horn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als meewerkend bedrijfsleider bij dakdekkersbedrijf [bedrijf] het bedrijf van zijn zoon. Op 12 juni 2006 heeft appellant zich ziekgemeld met long- en beenklachten, en het Uwv heeft hem met ingang van deze datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Terwijl appellant op arbeidstherapeutische basis aan het werk was, heeft hij op 16 januari 2008 een auto-ongeval gehad waarna appellant tinnitusklachten en psychische klachten heeft gekregen. Hij heeft daarna in een beperkt aantal uren gewerkt. Met een besluit van 4 april 2008 heeft het Uwv een aanvraag voor een WIA-uitkering van appellant opgeschort en de loondoorbetalingsverplichting van zijn werkgever verlengd tot 8 juni 2009.
1.2.
Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 9 juni 2009 een
IVA-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 57,09. Op verzoek van
appellant heeft het Uwv met een besluit van 27 februari 2013 met toepassing van artikel 64, twaalfde lid van de Wet WIA het dagloon vanaf 11 januari 2012, een jaar voorafgaand aan het verzoek van appellant, herzien. Het Uwv heeft de hoogte van het dagloon met ingang van 9 juni 2009 berekend op €77,08, en het dagloon na indexering per 11 januari 2012 vastgesteld op €80,72. Bij uitspraak van 9 maart 2016 heeft de Raad geoordeeld dat appellant met dit besluit niet is benadeeld en dat geen aanleiding bestaat voor een hoger dagloon.
1.3
Bij besluit van 24 mei 2016, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 28 december 2016, heeft het Uwv een nieuw verzoek van appellant om (verdergaand) terug te komen van het besluit van 4 augustus 2009 afgewezen, omdat geen sprake was van nieuwe feiten. Met een beslissing op bezwaar van 3 januari 2018 heeft het Uwv het dagloon van appellant alsnog met terugwerkende kracht met ingang van 9 juni 2009 herzien naar € 77,08. Bij uitspraak van 21 augustus 2019 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv terecht is uitgegaan van 12 juni 2006 als eerste ziektedag, dat niet gebleken is dat appellant gedurende de wachttijd op enig moment niet langer arbeidsongeschikt was en dat het Uwv terecht van 12 juni 2006 is uitgegaan als eerste ziektedag voor het bepalen van de referteperiode en het dagloon. Verder heeft de Raad overwogen dat het Uwv het dagloon terecht heeft berekend op grond van het loon dat appellant in de referteperiode van 15 augustus 2005 tot en met 21 mei 2006 heeft genoten en dat geen aanleiding bestaat om de uitkomst van de dagloonberekening onjuist te achten.
1.4.
Op 24 mei 2018 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van de besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009. Bij besluit van 8 augustus 2018 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om hier verdergaand van terug te komen en deze besluiten ook niet evident onredelijk zijn. Met de uitspraak van 26 oktober 2020 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv dit verzoek van appellant met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mocht afwijzen omdat apppellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. De Raad heeft, onder verwijzing naar wat in zijn uitspraak van 21 augustus 2019 is overwogen over de eerste ziektedag en de te hanteren referteperiode, geen aanleiding gezien om het besluit evident onredelijk te achten.
1.5.
Op 12 januari 2019 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht om terug te komen van de
besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009. Bij besluit van 7 januari 2020 heeft het Uwv
dit verzoek afgewezen. Met de uitspraak van 13 september 2021 heeft de Raad geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd en dat niet is gebleken van kennelijke onredelijkheid. Appellant heeft in die procedure gesteld dat hij in juni 2008 volledig aan het werk was en pas eind 2008, begin 2009 arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA is geworden. De Raad heeft overwogen dat de loondoorbetalingsverplichting destijds waarschijnlijk ten onrechte aan zijn ex-werkgever is opgelegd en dat per juni 2008 een WIA-beoordeling had moeten plaatsvinden. De Raad is appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat vanaf juni 2008 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Uit de stukken blijkt niet dat appellant gewerkt heeft. In een brief van Lentis van 13 mei 2013 is vermeld dat appellant sinds 5 oktober 2009 in behandeling is wegens ernstige tinnitus, gecompliceerd door psychische klachten die zijn begonnen na een auto-ongeval in januari 2008. In een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 oktober 2008 is vermeld dat op 20 december 2007 en op 20 maart 2008 is vastgesteld dat terugkeer naar het eigen werk niet mogelijk was gezien de beperkingen van verzoeker. Op 31 maart 2008 is vastgesteld dat binnen het bedrijf geen passend werk voorhanden was en is een extern re-integratietraject geadviseerd. Tijdens de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 21 augustus 2019 heeft appellant gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 16 januari 2008 is omdat als gevolg van het auto-ongeval op die dag volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is ontstaan. Bij uitspraak van 11 april 2022 heeft de Raad het verzoek van appellant om zijn uitspraak van 13 september 2021 te herzien afgewezen, omdat appellant niet heeft voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
1.6.
Op 6 augustus 2021 heeft appellant het Uwv nogmaals verzocht om terug te komen van de besluiten 4 april 2008 en 4 augustus 2009 omdat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte was vastgesteld op 12 juni 2006. Er was sprake van herstel en van nieuw bedongen arbeid per 8 juni 2008. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij pas per 1 januari 2009 arbeidsongeschikt is geworden waardoor een nieuwe wachttijd is gaan lopen en een andere referteperiode geldt. Bij besluit van 5 januari 2022 heeft het Uwv dit verzoek van appellant afgewezen, omdat hij geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om op de eerdere besluiten terug te komen. Het bezwaar dat appellant tegen dit besluit heeft ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat hij vanaf eind 2006 tot september 2009 lichte aangepaste werkzaamheden heeft aangevoerd maar uit niets blijkt dat hij zijn werk volledig heeft hervat. Bovendien had appellant de nu ingebrachte gegevens eerder kunnen inbrengen. Ook is geen sprake van evidente onredelijkheid. Nu appellant al een IVA uitkering ontvangt kan de door hem aangevraagde Amber beoordeling geen gevolgen hebben voor zijn uitkering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden bestond om terug te komen van de eerdere besluiten. Naar haar oordeel heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er nieuw gebleken relevante feiten of veranderde omstandigheden zijn. De rechtbank heeft overwogen dat er voor appellant geen beletsel is geweest om de door hem ingediende verklaringen van zijn toenmalige werkgever en een collega, de orderpapieren en de loonstroken over 2008, in een eerdere procedure in te dienen. De rechtbank heeft het niet onaannemelijk geacht dat appellant het memo van 12 augustus 2014 van de psychiater aan de huisarts niet eerder dan begin 2022 onder ogen kreeg.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de besluiten 4 april 2008 en 4 augustus 2009, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.1.
Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, is de aanvrager gehouden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
4.1.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 december 2016 kan de bestuursrechter aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.1.
De stukken die appellant in hoger beroep heeft ingediend geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de referteperiode en de juistheid van de hoogte van het dagloon zijn onderwerp van geschil geweest in diverse beslissingen van het Uwv, waarover de Raad op 9 maart 2016, 21 augustus 2019, 26 oktober 2020 en 13 september 2021 uitspraken heeft gedaan. Uit een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 november 2008 blijkt dat een onderzoek heeft plaats gevonden in verband met een door de ex-werkgever aangevraagd deskundigenoordeel over de loonsanctie. De arbeidsdeskundige heeft daarbij met zowel appellant als met zijn ex-werkgever gesproken. Uit dit rapport blijkt dat in maart 2008 terugkeer in het eigen werk niet mogelijk werd geacht en dat binnen het bedrijf geen passend werk voorhanden was. In de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2019, en derhalve nog geruime tijd nadien, heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij sinds 16 januari 2008, als gevolg van zijn auto-ongeval, volledig arbeidsongeschikt is. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag, het voortduren van de arbeidsongeschiktheid en de referteperiode zijn uitvoerig aan de orde geweest in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 13 september 2021. Tijdens de zitting in die procedure heeft het Uwv gesteld dat de besluitvorming met betrekking tot de loonsanctie op basis van het feit dat appellant gehandicapt was misschien anders had moeten worden aangepakt. Zoals de Raad ook al op 13 september 2021 heeft overwogen kan hieruit niet worden afgeleid dat appellant niet doorlopend arbeidsongeschikt is gebleven vanaf 12 juni 2006. Of in deze periode sprake is geweest van toegenomen klachten, al dan niet uit een andere oorzaak, is dan ook niet relevant nu een amber-beoordeling gedurende de wachttijd niet aan de orde is en appellant na afloop van de wachttijd volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geacht. In de door de ex-werkgever opgestelde verklaring van 14 maart 2022 wordt vermeld dat appellant zich, nadat de ZW-uitkering werd beëindigd, gedurende 40 uur per week heeft bezig gehouden met administratieve werkzaamheden. Een verklaring voor het achterwege blijven van een hersteldmelding of verzoek tot verkorting van de loonsanctie ontbreekt. De verklaring van de ex-werkgever van appellant wordt niet gesteund door de overige gegevens in het dossier en staat haaks op het door appellant eerder ingenomen standpunt over de aanvang en omvang van zijn arbeidsongeschiktheid en op de mededelingen die zowel door appellant als de ex-werkgever op 21 november 2018 aan de arbeidsdeskundige zijn gedaan bij de beoordeling van de re-integratieverplichtingen. Dat appellant op meer dan arbeidstherapeutische basis werkzaam is geweest gedurende de wachttijd is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Daargelaten dat de verklaring van de ex-werkgever, de orderbrieven en loonstroken eerder hadden kunnen worden overgelegd heeft het Uvw hierin terecht geen aanleiding gezien terug te komen op de beslissingen van 4 april 2008 en 4 augustus 2009. Ook volgt de Raad de rechtbank in het oordeel dat van evidente onredelijkheid niet gebleken is.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) A.M. Korver
ECLI:NL:CRVB:2016:820
ECLI:NL:CRVB:2019:2869.
ECLI:NL:CRVB:2020:2597.
ECLI:NL:CRVB:2021:2394.
ECLI:NL:CRVB:2022:832
ECLI:NL:CRVB:2016:5115.