Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-01-11
ECLI:NL:CRVB:2024:65
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,916 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 11 januari 2024
21/2280 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2021, 20/3810 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[Naam B.V.] (ex-werkgever)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende medegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen.
Het Uwv heeft op 17 mei 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 mei 2023 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen. Appellant heeft gelijktijdig verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van de gevoerde procedures in alle instanties.
Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is geen grond, reeds omdat niet voldaan is aan de in artikel 7:15, derde lid, van de Awb genoemde voorwaarde dat het verzoek moet zijn gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.
De Raad ziet wel aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-) en € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-) voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.500,-.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) S.C. Scholten
Inleiding
Datum uitspraak: 11 januari 2024
21/2280 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2021, 20/3810 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[Naam B.V.] (ex-werkgever)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De ex-werkgever heeft als derde-belanghebbende medegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen.
Het Uwv heeft op 17 mei 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 mei 2023 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen. Appellant heeft gelijktijdig verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van de gevoerde procedures in alle instanties.
Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is geen grond, reeds omdat niet voldaan is aan de in artikel 7:15, derde lid, van de Awb genoemde voorwaarde dat het verzoek moet zijn gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.
De Raad ziet wel aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-) en € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-) voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.500,-.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) S.C. Scholten