Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-01-11
ECLI:NL:CRVB:2024:64
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,950 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 11 januari 2024
22/2397 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 8 juni 2022 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
Bij uitspraak van 20 november 2020 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 november 2017, 17/1501, vernietigd, het besluit op bezwaar van 4april 2017 vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Bij beslissing op bezwaar van 25 februari 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2016 opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 december 2021 heeft de Raad het besluit van het Uwv van 25 februari 2021 vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Awb bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv het besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit) genomen.
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, op 15 juli 2022 beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juni 2022.
Op 11 oktober 2022 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 17 januari 2023 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door het Uwv en/of de Staat. Ook heeft appellant verzocht om het Uwv en/of de Staat te veroordelen in de proceskosten.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een reactie ingestuurd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Proceskosten
Namens appellant is het beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 oktober 2022 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Er is daarom aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 875,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift) voor verleende rechtsbijstand.
Tevens zal het Uwv worden veroordeeld tot vergoeding van het door appellant in beroep betaalde griffierecht van € 50,-.
Schadevergoeding
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een
vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Bij de beoordeling of de hogerberoepsrechter in de fase van beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar er te lang over heeft gedaan, wordt de voor beroep gangbare termijn van anderhalf jaar gehanteerd.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.
In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 11 oktober 2022 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 3 november 2016 tot de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure vijf jaar en ruim elf maanden geduurd. In de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant, zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar en (ruim) elf maanden overschreden. Deze termijnoverschrijding leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,-.
De eerste procedure in drie instanties heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 3 november 2016 tot de uitspraak van de Raad op 20 november 2020 iets meer dan vier jaar geduurd; de redelijke termijn is in die procedure met 17 dagen, afgerond naar boven een maand, overschreden. De behandeling van het bezwaar heeft in de eerste procedure minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de eerste procedure in de rechterlijke fase is geschonden met (naar boven afgerond) een maand. In beide procedures van direct beroep is de gerechtelijke procedure binnen de termijn van anderhalf jaar gebleven. Dit betekent dat van de overschrijding van de redelijke termijn een periode van een maand niet voor rekening van het Uwv komt. Gelet op het aandeel in de overschrijding van de gehele procedure komt 23/24 van € 2.000,- voor rekening van het Uwv. Dit komt neer op een bedrag van € 1.917,-. Een bedrag van € 83,- komt voor rekening van de Staat.
De Staat zal daarom worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 83,-. Het Uwv zal worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.917,-.
In verband met het verzoek om schadevergoeding als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn bestaat tevens aanleiding de Staat en het Uwv elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 218,75 (€ 437,50, 1 punt, met een wegingsfactor van 0,5, gedeeld door 2) voor verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag
van € 1.917,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan
appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 83,-;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van in
totaal € 1.093,75;
- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant
tot een bedrag van € 218,75;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) C.G. van Straalen
ECLI:NL:CRVB:2020:2887.
ECLI:NL:CRVB:2021:3311.
Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Zie de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3121.
Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
Inleiding
Datum uitspraak: 11 januari 2024
22/2397 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 8 juni 2022 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
Bij uitspraak van 20 november 2020 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 november 2017, 17/1501, vernietigd, het besluit op bezwaar van 4april 2017 vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Bij beslissing op bezwaar van 25 februari 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2016 opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 december 2021 heeft de Raad het besluit van het Uwv van 25 februari 2021 vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Awb bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv het besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit) genomen.
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, op 15 juli 2022 beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juni 2022.
Op 11 oktober 2022 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 17 januari 2023 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door het Uwv en/of de Staat. Ook heeft appellant verzocht om het Uwv en/of de Staat te veroordelen in de proceskosten.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een reactie ingestuurd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Proceskosten
Namens appellant is het beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 oktober 2022 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Er is daarom aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 875,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift) voor verleende rechtsbijstand.
Tevens zal het Uwv worden veroordeeld tot vergoeding van het door appellant in beroep betaalde griffierecht van € 50,-.
Schadevergoeding
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een
vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Bij de beoordeling of de hogerberoepsrechter in de fase van beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar er te lang over heeft gedaan, wordt de voor beroep gangbare termijn van anderhalf jaar gehanteerd.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.
In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 11 oktober 2022 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 3 november 2016 tot de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure vijf jaar en ruim elf maanden geduurd. In de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant, zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar en (ruim) elf maanden overschreden. Deze termijnoverschrijding leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,-.
De eerste procedure in drie instanties heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 3 november 2016 tot de uitspraak van de Raad op 20 november 2020 iets meer dan vier jaar geduurd; de redelijke termijn is in die procedure met 17 dagen, afgerond naar boven een maand, overschreden. De behandeling van het bezwaar heeft in de eerste procedure minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de eerste procedure in de rechterlijke fase is geschonden met (naar boven afgerond) een maand. In beide procedures van direct beroep is de gerechtelijke procedure binnen de termijn van anderhalf jaar gebleven. Dit betekent dat van de overschrijding van de redelijke termijn een periode van een maand niet voor rekening van het Uwv komt. Gelet op het aandeel in de overschrijding van de gehele procedure komt 23/24 van € 2.000,- voor rekening van het Uwv. Dit komt neer op een bedrag van € 1.917,-. Een bedrag van € 83,- komt voor rekening van de Staat.
De Staat zal daarom worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 83,-. Het Uwv zal worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.917,-.
In verband met het verzoek om schadevergoeding als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn bestaat tevens aanleiding de Staat en het Uwv elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 218,75 (€ 437,50, 1 punt, met een wegingsfactor van 0,5, gedeeld door 2) voor verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag
van € 1.917,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan
appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 83,-;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van in
totaal € 1.093,75;
- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant
tot een bedrag van € 218,75;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) C.G. van Straalen
ECLI:NL:CRVB:2020:2887.
ECLI:NL:CRVB:2021:3311.
Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Zie de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3121.
Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.