Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-18
ECLI:NL:CRVB:2024:573
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,872 tokens
Inleiding
222255 PW-PV, 22/2256 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juni 2022, 21/2014 en 21/2015 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf (college)
Datum uitspraak: 18 maart 2024
Zitting heeft: F. Hoogendijk, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: N.B. Yalçinkaya
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 maart 2024. Voor appellante is mr. K.A. Faber, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Weperen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het gaat in deze zaken om de buitenbehandelingstelling van twee aanvragen van 17 september 2020 van appellante en haar echtgenote, één om individuele inkomenstoeslag en één om bijzondere bijstand. Het college heeft de aanvragen niet in behandeling genomen met als reden dat appellante en haar echtgenote niet alle door het college opgevraagde stukken hadden aangeleverd, waardoor een inhoudelijke beoordeling van de aanvragen niet mogelijk was. Het college is daarbij, na bezwaar, gebleven en heeft dat meegedeeld met twee besluiten van 12 mei 2021.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen beide besluiten ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten. Dat is naar het oordeel van de Raad terecht om de volgende reden.
3. Het college heeft appellante en haar echtgenote verzocht om alle bankafschriften over de periode van 18 juni 2020 tot en met 17 september 2020 in te leveren. Appellante heeft van haar Rabobankrekening alleen het afschrift over de maand augustus 2020 verstrekt.
4. Appellante heeft aangevoerd dat de ontbrekende afschriften van die bankrekening niet nodig waren om de aanvragen te kunnen beoordelen. Volgens haar waren de wel overgelegde gegevens voldoende om de aanvragen te kunnen beoordelen. Zij heeft dit uitgelegd met de stelling dat die bankrekening al lang niet meer in gebruik was. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uit de wel overgelegde stukken is af te leiden dat zij en haar echtgenote onvoldoende financiële middelen hadden om hun kosten te betalen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bankrekening al lang niet meer in gebruik was. Uit het afschrift over de maand augustus 2020 blijkt dat in de periode vlak voor de aanvragen de bankrekening nog niet was opgeheven en dat er in die maand enkele mutaties zijn geweest. Dat het daarbij niet ging om grote bedragen maakt niet uit. Uit niets blijkt verder dat in de overige maanden waar het hier om gaat geen mutaties op die bankrekening hebben plaatsgevonden. Het college had daarom alle opgevraagde bankafschriften nodig om voldoende inzicht te krijgen in de financiële situatie van appellante en haar echtgenote. En dat was nodig om de aanvragen te kunnen beoordelen. Uit de wel door appellante overgelegde stukken, zoals het financieel jaaroverzicht van de Rabobank over 2018 en een incassobrief van die bank is niet af te leiden die de Rabobankrekening buiten gebruik was.
4.2.
Uit die stukken is ook niet af te leiden dat appellante en haar echtgenote op het moment van de aanvragen onvoldoende financiële middelen hadden om hun kosten te betalen. En dit volgt, anders dan appellante heeft betoogd, ook niet uit het feit dat het college aan appellante op 29 januari 2020 bijzondere bijstand had toegekend.
5. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij de ontbrekende afschriften van de Rabobankrekening niet kon verstrekken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Appellante heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij de Rabobank heeft gevraagd om deze afschriften te verstrekken en ook geen stukken waaruit blijkt dat de bank dit heeft geweigerd. Uit het enkele door appellante gestelde feit dat die bankrekening was geblokkeerd is dit niet af te leiden. Uit de door haar overgelegde incassobrief blijkt tot slot ook niet dat zij niet in staat was de afschriften te verstrekken.
6. Het college was daarom bevoegd om de aanvraag buiten behandeling te stellen.
7. Voor zover appellante heeft bedoeld aan te voeren dat het college van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kon maken slaagt die beroepsgrond niet. Anders dan appellante heeft betoogd, hoefde het college niet zonder meer aan te nemen dat de financiële situatie van haar en haar echtgenote bij de toekenning van bijzondere bijstand van 29 januari 2020 ruim zeven maanden later nog ongewijzigd was. Voor de beoordeling van de aanvragen om bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag van 17 september 2020 kon het college dan ook in redelijkheid een actueel beeld van hun financiële situatie verlangen.
8. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten en het griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N.B. Yalçinkaya (getekend) F. Hoogendijk
Inleiding
222255 PW-PV, 22/2256 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juni 2022, 21/2014 en 21/2015 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf (college)
Datum uitspraak: 18 maart 2024
Zitting heeft: F. Hoogendijk, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: N.B. Yalçinkaya
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 maart 2024. Voor appellante is mr. K.A. Faber, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Weperen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het gaat in deze zaken om de buitenbehandelingstelling van twee aanvragen van 17 september 2020 van appellante en haar echtgenote, één om individuele inkomenstoeslag en één om bijzondere bijstand. Het college heeft de aanvragen niet in behandeling genomen met als reden dat appellante en haar echtgenote niet alle door het college opgevraagde stukken hadden aangeleverd, waardoor een inhoudelijke beoordeling van de aanvragen niet mogelijk was. Het college is daarbij, na bezwaar, gebleven en heeft dat meegedeeld met twee besluiten van 12 mei 2021.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen beide besluiten ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten. Dat is naar het oordeel van de Raad terecht om de volgende reden.
3. Het college heeft appellante en haar echtgenote verzocht om alle bankafschriften over de periode van 18 juni 2020 tot en met 17 september 2020 in te leveren. Appellante heeft van haar Rabobankrekening alleen het afschrift over de maand augustus 2020 verstrekt.
4. Appellante heeft aangevoerd dat de ontbrekende afschriften van die bankrekening niet nodig waren om de aanvragen te kunnen beoordelen. Volgens haar waren de wel overgelegde gegevens voldoende om de aanvragen te kunnen beoordelen. Zij heeft dit uitgelegd met de stelling dat die bankrekening al lang niet meer in gebruik was. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uit de wel overgelegde stukken is af te leiden dat zij en haar echtgenote onvoldoende financiële middelen hadden om hun kosten te betalen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bankrekening al lang niet meer in gebruik was. Uit het afschrift over de maand augustus 2020 blijkt dat in de periode vlak voor de aanvragen de bankrekening nog niet was opgeheven en dat er in die maand enkele mutaties zijn geweest. Dat het daarbij niet ging om grote bedragen maakt niet uit. Uit niets blijkt verder dat in de overige maanden waar het hier om gaat geen mutaties op die bankrekening hebben plaatsgevonden. Het college had daarom alle opgevraagde bankafschriften nodig om voldoende inzicht te krijgen in de financiële situatie van appellante en haar echtgenote. En dat was nodig om de aanvragen te kunnen beoordelen. Uit de wel door appellante overgelegde stukken, zoals het financieel jaaroverzicht van de Rabobank over 2018 en een incassobrief van die bank is niet af te leiden die de Rabobankrekening buiten gebruik was.
4.2.
Uit die stukken is ook niet af te leiden dat appellante en haar echtgenote op het moment van de aanvragen onvoldoende financiële middelen hadden om hun kosten te betalen. En dit volgt, anders dan appellante heeft betoogd, ook niet uit het feit dat het college aan appellante op 29 januari 2020 bijzondere bijstand had toegekend.
5. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij de ontbrekende afschriften van de Rabobankrekening niet kon verstrekken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Appellante heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij de Rabobank heeft gevraagd om deze afschriften te verstrekken en ook geen stukken waaruit blijkt dat de bank dit heeft geweigerd. Uit het enkele door appellante gestelde feit dat die bankrekening was geblokkeerd is dit niet af te leiden. Uit de door haar overgelegde incassobrief blijkt tot slot ook niet dat zij niet in staat was de afschriften te verstrekken.
6. Het college was daarom bevoegd om de aanvraag buiten behandeling te stellen.
7. Voor zover appellante heeft bedoeld aan te voeren dat het college van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kon maken slaagt die beroepsgrond niet. Anders dan appellante heeft betoogd, hoefde het college niet zonder meer aan te nemen dat de financiële situatie van haar en haar echtgenote bij de toekenning van bijzondere bijstand van 29 januari 2020 ruim zeven maanden later nog ongewijzigd was. Voor de beoordeling van de aanvragen om bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag van 17 september 2020 kon het college dan ook in redelijkheid een actueel beeld van hun financiële situatie verlangen.
8. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten en het griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N.B. Yalçinkaya (getekend) F. Hoogendijk