Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-20
ECLI:NL:CRVB:2024:564
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,584 tokens
Inleiding
23/396 WIA
Datum uitspraak: 20 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
23 december 2022, 22/715 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 16 september
2021 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 februari 2024. Voor appellante is mr. Kaya verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft gewerkt als schoonmaakster voor 15 uur per week. Op 13 november
2015 heeft zij zich ziekgemeld met verschillende medische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 10 november 2017 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 juni 2021. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar werk als schoonmaakster en op basis van voor appellante geschikte functies een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 0%. Het Uwv heeft bij besluit van 15 juli 2021 de WIA-uitkering van appellante per 16 september 2021 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 3 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aangepaste FML opgesteld, gedateerd op 18 januari 2022. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellante opnieuw functies geselecteerd en wederom een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 0%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de rapporten van de artsen van het Uwv zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 18 januari 2022 om appellante niet beperkt te achten op de aspecten vasthouden en verdelen van aandacht. De resultaten van een bij appellante op 11 januari 2018 uitgevoerd intelligentieonderzoek (WAIS-IV) zeggen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niets over het kunnen vasthouden en verdelen van aandacht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen reden om aan te nemen dat appellante problemen heeft met het vasthouden van aandacht, aangezien zij tv-kijkt, computerspelletjes speelt en haar zelfverzorging normaal is. Ook voor een beperking voor het verdelen van aandacht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien, aangezien appellante dagelijks autorijdt en het daarom mogelijk is dat zij haar aandacht kan verdelen. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passen bij de beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de WIAuitkering van appellante dan ook terecht per 16 september 2021 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de resultaten van het intelligentieonderzoek. Die resultaten bieden voldoende aanknopingspunten om haar meer beperkt te achten, in het bijzonder op de aspecten vasthouden en verdelen van aandacht. Het feit dat zij autorijdt, tv-kijkt, computerspelletjes speelt en haar zelfverzorging normaal is, betekent niet dat er geen gewicht hoeft te worden toegekend aan die resultaten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante gewezen op een uitspraak van de Raad van 27 november 2019, waaruit volgens appellante blijkt dat niet zomaar voorbijgegaan kan worden aan een intelligentieonderzoek.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.3.
Wat appellante in hoger beroep tegen de medische beoordeling heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die beroepsgrond afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slaagt. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank over de medische beoordeling ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
De uitspraak van de Raad van 27 november 2019 waar appellante naar verwijst, ziet op een situatie waarin bij een medische beoordeling niet concreet was ingegaan op gegevens uit een intelligentieonderzoek. Daarvan is in dit geval geen sprake. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 18 januari 2022 gereageerd op de resultaten van het intelligentieonderzoek en inzichtelijk gemotiveerd waarom die resultaten niet leiden tot beperkingen op de aspecten vasthouden en verdelen van aandacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, naast wat de rechtbank daarover in de uitspraak heeft opgenomen, erop gewezen dat de primaire arts van het Uwv en hijzelf tijdens het spreekuurcontact bij appellante geen problemen in het vasthouden en verdelen van aandacht hebben geobjectiveerd. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.
Arbeidskundige beoordeling
4.5.
Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van R. Jansen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2024.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) R. Jansen
ECLI:NL:CRVB:2019:3755.
Inleiding
23/396 WIA
Datum uitspraak: 20 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
23 december 2022, 22/715 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 16 september
2021 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 februari 2024. Voor appellante is mr. Kaya verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft gewerkt als schoonmaakster voor 15 uur per week. Op 13 november
2015 heeft zij zich ziekgemeld met verschillende medische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 10 november 2017 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 juni 2021. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar werk als schoonmaakster en op basis van voor appellante geschikte functies een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 0%. Het Uwv heeft bij besluit van 15 juli 2021 de WIA-uitkering van appellante per 16 september 2021 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 3 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aangepaste FML opgesteld, gedateerd op 18 januari 2022. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellante opnieuw functies geselecteerd en wederom een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 0%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de rapporten van de artsen van het Uwv zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 18 januari 2022 om appellante niet beperkt te achten op de aspecten vasthouden en verdelen van aandacht. De resultaten van een bij appellante op 11 januari 2018 uitgevoerd intelligentieonderzoek (WAIS-IV) zeggen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niets over het kunnen vasthouden en verdelen van aandacht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen reden om aan te nemen dat appellante problemen heeft met het vasthouden van aandacht, aangezien zij tv-kijkt, computerspelletjes speelt en haar zelfverzorging normaal is. Ook voor een beperking voor het verdelen van aandacht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien, aangezien appellante dagelijks autorijdt en het daarom mogelijk is dat zij haar aandacht kan verdelen. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passen bij de beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de WIAuitkering van appellante dan ook terecht per 16 september 2021 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de resultaten van het intelligentieonderzoek. Die resultaten bieden voldoende aanknopingspunten om haar meer beperkt te achten, in het bijzonder op de aspecten vasthouden en verdelen van aandacht. Het feit dat zij autorijdt, tv-kijkt, computerspelletjes speelt en haar zelfverzorging normaal is, betekent niet dat er geen gewicht hoeft te worden toegekend aan die resultaten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante gewezen op een uitspraak van de Raad van 27 november 2019, waaruit volgens appellante blijkt dat niet zomaar voorbijgegaan kan worden aan een intelligentieonderzoek.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.3.
Wat appellante in hoger beroep tegen de medische beoordeling heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die beroepsgrond afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slaagt. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank over de medische beoordeling ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
De uitspraak van de Raad van 27 november 2019 waar appellante naar verwijst, ziet op een situatie waarin bij een medische beoordeling niet concreet was ingegaan op gegevens uit een intelligentieonderzoek. Daarvan is in dit geval geen sprake. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 18 januari 2022 gereageerd op de resultaten van het intelligentieonderzoek en inzichtelijk gemotiveerd waarom die resultaten niet leiden tot beperkingen op de aspecten vasthouden en verdelen van aandacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, naast wat de rechtbank daarover in de uitspraak heeft opgenomen, erop gewezen dat de primaire arts van het Uwv en hijzelf tijdens het spreekuurcontact bij appellante geen problemen in het vasthouden en verdelen van aandacht hebben geobjectiveerd. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.
Arbeidskundige beoordeling
4.5.
Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van R. Jansen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2024.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) R. Jansen
ECLI:NL:CRVB:2019:3755.