Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-21
ECLI:NL:CRVB:2024:542
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,302 tokens
Inleiding
22/2157 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [plaatsnaam] van 31 mei 2022, 21/3713 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)
Datum uitspraak: 21 maart 2024
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college geen financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing hoefde te verstrekken. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. Akkas, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 februari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akkas. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1978, is sinds 2011 woonachtig in een gelijkvloerse woning op de eerste verdieping zonder lift. De woning is bereikbaar via een trap met 16 treden. Appellante ervaart belemmeringen in het gebruik van de woning door de trap naar haar woning. In verband hiermee heeft zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een aanvraag ingediend voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing.
1.2.
In het besluit van 27 november 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 4 juni 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het medisch advies van het Indicatieadviesbureau [plaatsnaam] (IAB) van 18 november 2020, op het standpunt gesteld dat appellante in staat wordt geacht op aanvaardbare wijze de woonhuistrappen te belopen. Voor toepassing van de hardheidsclausule heeft het college geen aanleiding gezien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het college op basis van het advies van het IAB heeft mogen concluderen dat er geen medische noodzaak bestaat voor een verhuiskostenvergoeding. Bij appellante speelt veel medische problematiek, zij ervaart veel pijn en heeft moeite met traplopen. Uit het IAB advies blijkt echter niet dat appellante de trap helemaal niet meer kan belopen. Ook zijn er nog behandelingen mogelijk. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie van het IAB. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit af te leiden valt dat zij, in tegenstelling tot wat het IAB heeft aangegeven, helemaal niet in staat is om de trap te belopen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat zij vanwege pijn en haar medische beperkingen niet in staat is om op aanvaardbare wijze de trap naar haar woning te belopen. Er is geen sprake van een verbetering van de medische situatie van appellante. Het voortduren van de huidige situatie zorgt er juist voor dat haar klachten en beperkingen alleen maar verergeren. Het belopen van de trappen is ook gevaarlijk voor appellante, omdat zij naast de pijn die zij ervaart ook regelmatig aanvallen krijgt en flauwvalt. Zij is daarom bang om van de trap te vallen. De afwijzing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en op grond van de hardheidsclausule dient alsnog de gevraagde vergoeding te worden toegekend.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het college de aanvraag van appellante voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing op goede gronden heeft afgewezen. Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Het onderzoek door de medisch adviseur heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van haar medische beoordeling. Ook uit het door het college in hoger beroep overgelegde medisch advies van Argonaut van 8 december 2023 volgt dat appellante (nog steeds) veilig en adequaat naar de eerste verdieping de trap kan belopen, ondanks dat het enige pijn en moeite kost. In de door appellante overgelegde informatie in hoger beroep heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
4.3.
Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 9.1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning [plaatsnaam] 2015.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat er voor appellante geen dusdanige beperkingen zijn in het normale gebruik van haar woning, dat er reden bestaat voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2024.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) C.K. Teunissen
Inleiding
22/2157 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [plaatsnaam] van 31 mei 2022, 21/3713 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)
Datum uitspraak: 21 maart 2024
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college geen financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing hoefde te verstrekken. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. Akkas, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 februari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akkas. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1978, is sinds 2011 woonachtig in een gelijkvloerse woning op de eerste verdieping zonder lift. De woning is bereikbaar via een trap met 16 treden. Appellante ervaart belemmeringen in het gebruik van de woning door de trap naar haar woning. In verband hiermee heeft zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een aanvraag ingediend voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing.
1.2.
In het besluit van 27 november 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 4 juni 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het medisch advies van het Indicatieadviesbureau [plaatsnaam] (IAB) van 18 november 2020, op het standpunt gesteld dat appellante in staat wordt geacht op aanvaardbare wijze de woonhuistrappen te belopen. Voor toepassing van de hardheidsclausule heeft het college geen aanleiding gezien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het college op basis van het advies van het IAB heeft mogen concluderen dat er geen medische noodzaak bestaat voor een verhuiskostenvergoeding. Bij appellante speelt veel medische problematiek, zij ervaart veel pijn en heeft moeite met traplopen. Uit het IAB advies blijkt echter niet dat appellante de trap helemaal niet meer kan belopen. Ook zijn er nog behandelingen mogelijk. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie van het IAB. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit af te leiden valt dat zij, in tegenstelling tot wat het IAB heeft aangegeven, helemaal niet in staat is om de trap te belopen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat zij vanwege pijn en haar medische beperkingen niet in staat is om op aanvaardbare wijze de trap naar haar woning te belopen. Er is geen sprake van een verbetering van de medische situatie van appellante. Het voortduren van de huidige situatie zorgt er juist voor dat haar klachten en beperkingen alleen maar verergeren. Het belopen van de trappen is ook gevaarlijk voor appellante, omdat zij naast de pijn die zij ervaart ook regelmatig aanvallen krijgt en flauwvalt. Zij is daarom bang om van de trap te vallen. De afwijzing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en op grond van de hardheidsclausule dient alsnog de gevraagde vergoeding te worden toegekend.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het college de aanvraag van appellante voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing op goede gronden heeft afgewezen. Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Het onderzoek door de medisch adviseur heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van haar medische beoordeling. Ook uit het door het college in hoger beroep overgelegde medisch advies van Argonaut van 8 december 2023 volgt dat appellante (nog steeds) veilig en adequaat naar de eerste verdieping de trap kan belopen, ondanks dat het enige pijn en moeite kost. In de door appellante overgelegde informatie in hoger beroep heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
4.3.
Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 9.1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning [plaatsnaam] 2015.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat er voor appellante geen dusdanige beperkingen zijn in het normale gebruik van haar woning, dat er reden bestaat voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2024.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) C.K. Teunissen