Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-19
ECLI:NL:CRVB:2024:529
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,692 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 19 maart 2024
21/2466 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juni 2021, 20/2500
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maashorst (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H.M.A. van den Boogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 10 augustus 2023 heeft mr. Van den Boogaard namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van een beslissing op bezwaar van het college van 25 april 2023. Met dit besluit is de beslissing op bezwaar van 6 juli 2021 herzien en is de terugvordering op nihil gesteld. Ook de beslissing op bezwaar van 2 november 2021 is herzien en de boete is tevens op nihil gesteld. Hiermee is volledig aan appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 837,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte geen punt heeft toegekend voor de zitting en dat de Raad het college alsnog hiertoe moet veroordelen. Uit de uitspraak van de rechtbank en het dossier blijkt namelijk dat de zaak zonder zitting is afgedaan.
Ook dient het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 837,-;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Inleiding
Datum uitspraak: 19 maart 2024
21/2466 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juni 2021, 20/2500
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maashorst (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H.M.A. van den Boogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 10 augustus 2023 heeft mr. Van den Boogaard namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van een beslissing op bezwaar van het college van 25 april 2023. Met dit besluit is de beslissing op bezwaar van 6 juli 2021 herzien en is de terugvordering op nihil gesteld. Ook de beslissing op bezwaar van 2 november 2021 is herzien en de boete is tevens op nihil gesteld. Hiermee is volledig aan appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 837,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte geen punt heeft toegekend voor de zitting en dat de Raad het college alsnog hiertoe moet veroordelen. Uit de uitspraak van de rechtbank en het dossier blijkt namelijk dat de zaak zonder zitting is afgedaan.
Ook dient het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 837,-;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen