Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-13
ECLI:NL:CRVB:2024:484
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,852 tokens
Inleiding
21/2986 ZW
Datum uitspraak: 13 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 juli 2021, 20/477 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van de meervoudige kamer van 14 september 2023.
Het Uwv heeft op 20 september 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 25 september 2023 heeft mr. Hopman namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 25 september 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Daar komt bij € 67,40 aan reiskosten voor de zittingen in beroep in hoger beroep (op basis van de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse). De reiskosten van mr. Hopman worden geacht te zijn inbegrepen in de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft al een veroordeling uitgesproken voor de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht in eerste aanleg. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 september 2023 zijn de kosten in bezwaar al vergoed.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding dus € 1.817,40. Daarnaast zal het Uwv het door appellante voor het hoger beroep betaalde griffierecht moeten vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.817,40;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Inleiding
21/2986 ZW
Datum uitspraak: 13 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 juli 2021, 20/477 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van de meervoudige kamer van 14 september 2023.
Het Uwv heeft op 20 september 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 25 september 2023 heeft mr. Hopman namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 25 september 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Daar komt bij € 67,40 aan reiskosten voor de zittingen in beroep in hoger beroep (op basis van de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse). De reiskosten van mr. Hopman worden geacht te zijn inbegrepen in de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft al een veroordeling uitgesproken voor de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht in eerste aanleg. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 september 2023 zijn de kosten in bezwaar al vergoed.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding dus € 1.817,40. Daarnaast zal het Uwv het door appellante voor het hoger beroep betaalde griffierecht moeten vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.817,40;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.