Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-02-29
ECLI:NL:CRVB:2024:392
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
7,192 tokens
Inleiding
22/3358 WAJONG
Datum uitspraak: 29 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 september 2022, 21/3165 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [Woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Met een besluit van 16 december 2020 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van een besluit van 7 december 2017. Daarin had het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 30 augustus 2013. Dat besluit betrof de weigering van een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010).
Appellante heeft tegen het besluit van 16 december 2020 bezwaar gemaakt, maar het Uwv heeft dat bezwaar met een besluit van 15 juli 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.J. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 februari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.
Overwegingen
Samenvatting
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist om niet terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante is sprake van een onzorgvuldig onderzoek. Zij stelt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat het Uwv is uitgegaan van een onvolledig ziektebeeld. De Raad volgt dit standpunt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van de weigering haar een Wajong-uitkering toe te kennen, mocht afwijzen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 1988. Zie heeft sinds juni 2005 gewerkt in verschillende functies. Vanaf 28 september 2009 werkte zij als thuishulp voor ongeveer 27 uur per week. Appellante heeft zich op 12 juli 2010 ziekgemeld. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft op 25 april 2012 verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat bij appellante sprake is van fibromyalgie en heeft haar beperkt geacht voor werkzaamheden waarin grote psychische en lichamelijke inspanning wordt gevraagd. Met deze beperkingen werd appellante door de arbeidsdeskundige in staat geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van haar maatmanloon. Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante per 9 juli 2012 een WIA-uitkering toe te kennen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.2.
Appellante heeft met een door het Uwv op 19 augustus 2013 ontvangen formulier, een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong 2010 gedaan. Het Uwv heeft bij besluit van 30 augustus 2013 de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 11 september 2014 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong 2010 gedaan. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 30 augustus 2013 en heeft dit verzoek bij besluit van 6 januari 2015 afgewezen. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Met een door het Uwv op 26 juli 2017 ontvangen formulier ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ondersteuning bij werk en inkomen jonggehandicapten’ heeft appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en evenmin van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag. Appellante komt ook niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Wajong 2015. Het Uwv heeft bij besluit van 7 december 2017 geweigerd terug te komen van het besluit van 30 augustus 2013. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
1.5.
Op 14 december 2020 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 december 2017. Bij besluit van 16 december 2020 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 7 december 2017, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
1.6.
Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Zij heeft erop gewezen dat haar medische situatie tussen 7 december 2017 en 14 december 2020 wel is veranderd. Appellante heeft medische gegevens overgelegd, die zien op de periode 2018-2020. In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nova omdat er geen zaken zijn die op de data in geding al speelden en die niet bekend waren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 7 december 2017 heeft mogen afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Omdat het een herhaalde aanvraag betreft is het aan appellante om nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren te brengen die zouden moeten leiden tot de conclusie dat destijds een ander besluit zou zijn genomen als die feiten bekend waren geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellante ingebrachte informatie beoordeeld en inzichtelijk gemotiveerd waarom deze informatie geen nieuwe feiten en/of omstandigheden bevat. In de beschikbare informatie is niet terug te vinden dat jeugdreuma is vastgesteld en ook als deze diagnose wel was gesteld, betekent dit nog niet dat de eerdere beoordeling onjuist was. Destijds is al rekening gehouden met de psychische en fysieke belastbaarheid van appellante. De beroepsgronden geven ook geen aanleiding het bestreden besluit evident onredelijk te achten.
Het hoger beroep van appellante
3.1.
Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek omdat alleen dossierstudie heeft plaatsgevonden.
3.2.
Verder heeft appellante in hoger beroep nieuwe medische informatie in het geding gebracht, die ziet op de periode 2010-2011. Daarin staat onder meer dat bij appellante een essentiële en/of inspanningsafhankelijke tremor aanwezig is en dat bij haar de diagnose chronisch wijdverbreide pijn is vastgesteld. Onder verwijzing naar de door haar in hoger beroep ingebrachte medische informatie heeft appellante gesteld dat het Uwv met de daarin opgenomen informatie onvoldoende rekening heeft gehouden en ook met haar psychische klachten. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden want deze informatie ziet op de periode van 2006 tot 2012 en het Uwv is uitgegaan van een onvolledig ziektebeeld. Ter zitting heeft appellante betoogd dat sprake is van een somatoforme stoornis die altijd aanwezig is geweest.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van de weigering om haar een Wajong-uitkering toe te kennen, mocht afwijzen. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
4.3.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 7 december 2017 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. .
4.4.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.5.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven.
4.6.
Naar aanleiding van de stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd en wat daarover ter zitting is besproken, overweegt de Raad het volgende.
4.7.
Het Uwv heeft in bezwaar en beroep geen rekening kunnen houden met de medische stukken die appellante in hoger beroep in het geding heeft gebracht. Het Uwv heeft met het in hoger beroep ingebrachte rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
19 december 2022 inhoudelijk op deze stukken gereageerd. De Raad zal deze informatie daarom betrekken bij de beoordeling van het hoger beroep.
4.8.
De Raad ziet in de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat deze medische informatie uit 2010 en 2011 al veel langer bij appellante bekend was of had kunnen zijn en dat appellante deze informatie ook al in 2017 (of 2013 of 2015) had kunnen aanvoeren. Daarom bevat deze informatie geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Bovendien leidt die informatie ook niet tot een ander standpunt over de belastbaarheid van appellante. De informatie over het pijnsyndroom was al langer bekend en daarmee is al eerder rekening gehouden. De tremor wordt na 2011 door geen enkele behandelaar meer genoemd. Daar wordt nog aan toegevoegd dat uit de door appellante overgelegde medische informatie niet blijkt dat zij daardoor in 2006, op haar achttiende verjaardag, ook al beperkingen ondervond en ook niet dat zij toen beperkingen had waardoor zij niet kon werken. Appellante heeft van 2005 tot en met 2010 in verschillende banen gewerkt, zodat vaststaat dat appellante rond haar achttiende verjaardag en in de jaren daarna betaald werk kon doen. Het Uwv heeft dan ook terecht aangenomen dat de medische stukken in hoger beroep geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn die zouden kunnen leiden tot een ander besluit over de Wajong-uitkering van appellante.
4.9.
Gelet op 4.5 tot en met 4.8 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat er geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2024.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) S.C. Scholten
Bijlage
Artikel 4:6 Awb
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Inleiding
22/3358 WAJONG
Datum uitspraak: 29 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 september 2022, 21/3165 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [Woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Met een besluit van 16 december 2020 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van een besluit van 7 december 2017. Daarin had het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 30 augustus 2013. Dat besluit betrof de weigering van een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010).
Appellante heeft tegen het besluit van 16 december 2020 bezwaar gemaakt, maar het Uwv heeft dat bezwaar met een besluit van 15 juli 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.J. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 februari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.
Overwegingen
Samenvatting
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist om niet terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante is sprake van een onzorgvuldig onderzoek. Zij stelt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat het Uwv is uitgegaan van een onvolledig ziektebeeld. De Raad volgt dit standpunt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van de weigering haar een Wajong-uitkering toe te kennen, mocht afwijzen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 1988. Zie heeft sinds juni 2005 gewerkt in verschillende functies. Vanaf 28 september 2009 werkte zij als thuishulp voor ongeveer 27 uur per week. Appellante heeft zich op 12 juli 2010 ziekgemeld. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft op 25 april 2012 verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat bij appellante sprake is van fibromyalgie en heeft haar beperkt geacht voor werkzaamheden waarin grote psychische en lichamelijke inspanning wordt gevraagd. Met deze beperkingen werd appellante door de arbeidsdeskundige in staat geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van haar maatmanloon. Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante per 9 juli 2012 een WIA-uitkering toe te kennen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.2.
Appellante heeft met een door het Uwv op 19 augustus 2013 ontvangen formulier, een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong 2010 gedaan. Het Uwv heeft bij besluit van 30 augustus 2013 de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 11 september 2014 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wajong 2010 gedaan. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 30 augustus 2013 en heeft dit verzoek bij besluit van 6 januari 2015 afgewezen. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Met een door het Uwv op 26 juli 2017 ontvangen formulier ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ondersteuning bij werk en inkomen jonggehandicapten’ heeft appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en evenmin van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag. Appellante komt ook niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Wajong 2015. Het Uwv heeft bij besluit van 7 december 2017 geweigerd terug te komen van het besluit van 30 augustus 2013. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
1.5.
Op 14 december 2020 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 december 2017. Bij besluit van 16 december 2020 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 7 december 2017, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
1.6.
Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Zij heeft erop gewezen dat haar medische situatie tussen 7 december 2017 en 14 december 2020 wel is veranderd. Appellante heeft medische gegevens overgelegd, die zien op de periode 2018-2020. In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nova omdat er geen zaken zijn die op de data in geding al speelden en die niet bekend waren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 7 december 2017 heeft mogen afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Omdat het een herhaalde aanvraag betreft is het aan appellante om nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren te brengen die zouden moeten leiden tot de conclusie dat destijds een ander besluit zou zijn genomen als die feiten bekend waren geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellante ingebrachte informatie beoordeeld en inzichtelijk gemotiveerd waarom deze informatie geen nieuwe feiten en/of omstandigheden bevat. In de beschikbare informatie is niet terug te vinden dat jeugdreuma is vastgesteld en ook als deze diagnose wel was gesteld, betekent dit nog niet dat de eerdere beoordeling onjuist was. Destijds is al rekening gehouden met de psychische en fysieke belastbaarheid van appellante. De beroepsgronden geven ook geen aanleiding het bestreden besluit evident onredelijk te achten.
Het hoger beroep van appellante
3.1.
Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek omdat alleen dossierstudie heeft plaatsgevonden.
3.2.
Verder heeft appellante in hoger beroep nieuwe medische informatie in het geding gebracht, die ziet op de periode 2010-2011. Daarin staat onder meer dat bij appellante een essentiële en/of inspanningsafhankelijke tremor aanwezig is en dat bij haar de diagnose chronisch wijdverbreide pijn is vastgesteld. Onder verwijzing naar de door haar in hoger beroep ingebrachte medische informatie heeft appellante gesteld dat het Uwv met de daarin opgenomen informatie onvoldoende rekening heeft gehouden en ook met haar psychische klachten. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden want deze informatie ziet op de periode van 2006 tot 2012 en het Uwv is uitgegaan van een onvolledig ziektebeeld. Ter zitting heeft appellante betoogd dat sprake is van een somatoforme stoornis die altijd aanwezig is geweest.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van de weigering om haar een Wajong-uitkering toe te kennen, mocht afwijzen. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
4.3.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 7 december 2017 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. .
4.4.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.5.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven.
4.6.
Naar aanleiding van de stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd en wat daarover ter zitting is besproken, overweegt de Raad het volgende.
4.7.
Het Uwv heeft in bezwaar en beroep geen rekening kunnen houden met de medische stukken die appellante in hoger beroep in het geding heeft gebracht. Het Uwv heeft met het in hoger beroep ingebrachte rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
19 december 2022 inhoudelijk op deze stukken gereageerd. De Raad zal deze informatie daarom betrekken bij de beoordeling van het hoger beroep.
4.8.
De Raad ziet in de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat deze medische informatie uit 2010 en 2011 al veel langer bij appellante bekend was of had kunnen zijn en dat appellante deze informatie ook al in 2017 (of 2013 of 2015) had kunnen aanvoeren. Daarom bevat deze informatie geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Bovendien leidt die informatie ook niet tot een ander standpunt over de belastbaarheid van appellante. De informatie over het pijnsyndroom was al langer bekend en daarmee is al eerder rekening gehouden. De tremor wordt na 2011 door geen enkele behandelaar meer genoemd. Daar wordt nog aan toegevoegd dat uit de door appellante overgelegde medische informatie niet blijkt dat zij daardoor in 2006, op haar achttiende verjaardag, ook al beperkingen ondervond en ook niet dat zij toen beperkingen had waardoor zij niet kon werken. Appellante heeft van 2005 tot en met 2010 in verschillende banen gewerkt, zodat vaststaat dat appellante rond haar achttiende verjaardag en in de jaren daarna betaald werk kon doen. Het Uwv heeft dan ook terecht aangenomen dat de medische stukken in hoger beroep geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn die zouden kunnen leiden tot een ander besluit over de Wajong-uitkering van appellante.
4.9.
Gelet op 4.5 tot en met 4.8 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat er geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2024.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) S.C. Scholten
Bijlage
Artikel 4:6 Awb
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.