Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-02-14
ECLI:NL:CRVB:2024:314
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,586 tokens
Inleiding
23 690 WIA
Datum uitspraak: 14 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2023, 21/5576 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2023. Namens appellante is verschenen mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.
Overwegingen
1.1.
In april 2020 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarna aan appellante met ingang van 30 juni 2020 een voorschot op een WIA-uitkering is verstrekt.
1.2.
Bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het Uwv appellante met ingang van 30 juni 2020 een WIA-uitkering geweigerd. Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), die was stopgezet vanwege ziekte, vanaf 30 juni 2020 voortgezet. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 oktober 2020 gegrond verklaard en appellante alsnog met ingang van 30 juni 2020 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van eveneens 1 maart 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 oktober 2020 gegrond verklaard en dit besluit ingetrokken, omdat appellante vanaf 30 juni 2020 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij heeft het Uwv bepaald dat de vanaf 30 juni 2020 te betalen loongerelateerde WGA-uitkering zal worden verrekend met het reeds betaalde voorschot WIA en de reeds betaalde WW-uitkering. Het Uwv heeft daarbij bepaald dat mocht na het verrekenen blijken dat appellante te veel heeft ontvangen, dit niet zal worden teruggevorderd, conform artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) (Stcrt. 2006, nr. 230).
1.5.
Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het Uwv het bedrag van de WIA-uitkering inclusief vakantiegeld over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 verrekend met de WW-uitkering, die appellante in deze periode heeft ontvangen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en gesteld dat het opgebouwde WW-vakantiegeld over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 nog aan haar moet worden uitbetaald.
1.6.
Bij besluit van 13 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2021 ongegrond verklaard. Na verrekening van de uitbetaalde WW-uitkering met het bedrag waarop appellante in het kader van de WIA recht op heeft, resteerde er nog een vordering op appellante, welk bedrag is afgeboekt. Appellante heeft dus in totaal meer uitkering ontvangen dan waar zij recht op had en is daarom niet benadeeld door de verrekening met het in het kader van de WW opgebouwde vakantiegeld.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de WW-uitkering van appellante over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 terecht is ingetrokken, omdat appellante over die periode recht had op een WIA-uitkering. Over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 is daardoor onverschuldigd WW-uitkering aan appellante uitbetaald. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen de uitleg van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels in geschil is en in het bijzonder de vraag of de woorden ‘verstrekte uitkering’ en ‘uitgekeerd’ zien op feitelijk uitbetaalde gelden dan wel op gelden waarop appellante ingevolge de nadien ingetrokken uitkering recht had, ongeacht of deze feitelijk uitbetaald waren. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat over de hier in geding zijnde periode de WW-uitkering inclusief het opgebouwde WW-vakantiegeld verrekend mocht worden met de WIA-uitkering inclusief vakantiegeld. Dat het opgebouwde WW-vakantiegeld niet was uitbetaald is niet doorslaggevend. Bepaald is dat het gelden betreft waarop appellante recht had ingevolge de WW-uitkering en die voor haar waren gereserveerd. Dat het Uwv tevens het vakantiegeld ingevolge de WIA-uitkering heeft betrokken bij de verrekening is volgens rechtbank juist nu het recht op deze gelden over de periode waarover appellante recht had op de WIA-uitkering is opgebouwd. Na verrekening van de WW-uitkering inclusief vakantiegeld met de WIA-uitkering inclusief vakantiegeld bleef een vordering op appellante over. Het Uwv heeft deze vordering conform het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels niet van appellante teruggevorderd.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de onder de WIA-uitkering opgebouwde vakantiegeld over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 niet is uitbetaald, maar door het Uwv is verrekend met de eerder uitbetaalde WW-uitkering. Het in het kader van de WW-uitkering opgebouwde vakantiegeld over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 is eveneens niet aan appellante uitbetaald. Hierdoor heeft appellante over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 geen vakantiegeld ontvangen. Indien artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels van het Uwv hier van toepassing zou zijn geweest (dus geen andere uitkering toegekend), zou het vakantiegeld dat over de WW-uitkering gedurende de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 was opgebouwd wel aan appellante zijn uitbetaald. De uitkering wordt dan ingetrokken met ingang van de dag waarop het Uwv de verzekerde voor het eerst daarover heeft ingelicht. Alles wat voor die datum is opgebouwd moet worden uitbetaald. Het kan niet zo zijn dat de verzekerde in het geval van toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels slechter af is. Volgens appellante heeft zij recht op de volledige WW-uitkering over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021, inclusief het daarover opgebouwde vakantiegeld, omdat de WIA-uitkering pas feitelijk per 1 maart 2021 tot uitkering komt. De achtergrond van deze regeling is namelijk dat wat te veel is ontvangen, niet behoeft te worden terugbetaald. Dan is het niet de bedoeling dat er toch wordt verrekend met een post waarop wel recht bestond maar die nog niet was uitbetaald zoals het WW-vakantiegeld. Het WW-vakantiegeld over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 dient daarom alsnog aan appellante te worden uitbetaald.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens het Uwv is het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels van toepasing. Omdat de WW-uitkering is ingetrokken per 30 juni 2020 is geen sprake van opgebouwd vakantiegeld dat op enig moment uitbetaald zou kunnen worden. Het Uwv heeft nader toegelicht dat aan appellante over de periode in geding aan WW-uitkering € 12.535,52 is uitbetaald, te weten de WW-uitkering over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 zonder vakantiegeld, en dat appellante over genoemde periode recht heeft op € 12.205,65 aan WIA-uitkering inclusief vakantiegeld. Appellante heeft daarom een bedrag van € 329,87 te veel ontvangen, wat zij niet hoeft terug te betalen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In de Beleidsregels is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
Artikel 4. Intrekking of herziening met ingang van de dag van de mededeling
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3 wordt, indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop UWV hem voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, doch niet later dan de dag met ingang waarvan de uitkering werd geschorst.
2.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) A.M. Geurtsen
Inleiding
23 690 WIA
Datum uitspraak: 14 februari 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2023, 21/5576 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2023. Namens appellante is verschenen mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.
Overwegingen
1.1.
In april 2020 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarna aan appellante met ingang van 30 juni 2020 een voorschot op een WIA-uitkering is verstrekt.
1.2.
Bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het Uwv appellante met ingang van 30 juni 2020 een WIA-uitkering geweigerd. Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), die was stopgezet vanwege ziekte, vanaf 30 juni 2020 voortgezet. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 oktober 2020 gegrond verklaard en appellante alsnog met ingang van 30 juni 2020 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van eveneens 1 maart 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 oktober 2020 gegrond verklaard en dit besluit ingetrokken, omdat appellante vanaf 30 juni 2020 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij heeft het Uwv bepaald dat de vanaf 30 juni 2020 te betalen loongerelateerde WGA-uitkering zal worden verrekend met het reeds betaalde voorschot WIA en de reeds betaalde WW-uitkering. Het Uwv heeft daarbij bepaald dat mocht na het verrekenen blijken dat appellante te veel heeft ontvangen, dit niet zal worden teruggevorderd, conform artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) (Stcrt. 2006, nr. 230).
1.5.
Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het Uwv het bedrag van de WIA-uitkering inclusief vakantiegeld over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 verrekend met de WW-uitkering, die appellante in deze periode heeft ontvangen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en gesteld dat het opgebouwde WW-vakantiegeld over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 nog aan haar moet worden uitbetaald.
1.6.
Bij besluit van 13 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2021 ongegrond verklaard. Na verrekening van de uitbetaalde WW-uitkering met het bedrag waarop appellante in het kader van de WIA recht op heeft, resteerde er nog een vordering op appellante, welk bedrag is afgeboekt. Appellante heeft dus in totaal meer uitkering ontvangen dan waar zij recht op had en is daarom niet benadeeld door de verrekening met het in het kader van de WW opgebouwde vakantiegeld.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de WW-uitkering van appellante over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 terecht is ingetrokken, omdat appellante over die periode recht had op een WIA-uitkering. Over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 is daardoor onverschuldigd WW-uitkering aan appellante uitbetaald. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen de uitleg van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels in geschil is en in het bijzonder de vraag of de woorden ‘verstrekte uitkering’ en ‘uitgekeerd’ zien op feitelijk uitbetaalde gelden dan wel op gelden waarop appellante ingevolge de nadien ingetrokken uitkering recht had, ongeacht of deze feitelijk uitbetaald waren. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat over de hier in geding zijnde periode de WW-uitkering inclusief het opgebouwde WW-vakantiegeld verrekend mocht worden met de WIA-uitkering inclusief vakantiegeld. Dat het opgebouwde WW-vakantiegeld niet was uitbetaald is niet doorslaggevend. Bepaald is dat het gelden betreft waarop appellante recht had ingevolge de WW-uitkering en die voor haar waren gereserveerd. Dat het Uwv tevens het vakantiegeld ingevolge de WIA-uitkering heeft betrokken bij de verrekening is volgens rechtbank juist nu het recht op deze gelden over de periode waarover appellante recht had op de WIA-uitkering is opgebouwd. Na verrekening van de WW-uitkering inclusief vakantiegeld met de WIA-uitkering inclusief vakantiegeld bleef een vordering op appellante over. Het Uwv heeft deze vordering conform het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels niet van appellante teruggevorderd.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de onder de WIA-uitkering opgebouwde vakantiegeld over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 niet is uitbetaald, maar door het Uwv is verrekend met de eerder uitbetaalde WW-uitkering. Het in het kader van de WW-uitkering opgebouwde vakantiegeld over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 is eveneens niet aan appellante uitbetaald. Hierdoor heeft appellante over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 geen vakantiegeld ontvangen. Indien artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels van het Uwv hier van toepassing zou zijn geweest (dus geen andere uitkering toegekend), zou het vakantiegeld dat over de WW-uitkering gedurende de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 was opgebouwd wel aan appellante zijn uitbetaald. De uitkering wordt dan ingetrokken met ingang van de dag waarop het Uwv de verzekerde voor het eerst daarover heeft ingelicht. Alles wat voor die datum is opgebouwd moet worden uitbetaald. Het kan niet zo zijn dat de verzekerde in het geval van toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels slechter af is. Volgens appellante heeft zij recht op de volledige WW-uitkering over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021, inclusief het daarover opgebouwde vakantiegeld, omdat de WIA-uitkering pas feitelijk per 1 maart 2021 tot uitkering komt. De achtergrond van deze regeling is namelijk dat wat te veel is ontvangen, niet behoeft te worden terugbetaald. Dan is het niet de bedoeling dat er toch wordt verrekend met een post waarop wel recht bestond maar die nog niet was uitbetaald zoals het WW-vakantiegeld. Het WW-vakantiegeld over de periode 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 dient daarom alsnog aan appellante te worden uitbetaald.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens het Uwv is het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels van toepasing. Omdat de WW-uitkering is ingetrokken per 30 juni 2020 is geen sprake van opgebouwd vakantiegeld dat op enig moment uitbetaald zou kunnen worden. Het Uwv heeft nader toegelicht dat aan appellante over de periode in geding aan WW-uitkering € 12.535,52 is uitbetaald, te weten de WW-uitkering over de periode van 30 juni 2020 tot en met 28 februari 2021 zonder vakantiegeld, en dat appellante over genoemde periode recht heeft op € 12.205,65 aan WIA-uitkering inclusief vakantiegeld. Appellante heeft daarom een bedrag van € 329,87 te veel ontvangen, wat zij niet hoeft terug te betalen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In de Beleidsregels is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
Artikel 4. Intrekking of herziening met ingang van de dag van de mededeling
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3 wordt, indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop UWV hem voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, doch niet later dan de dag met ingang waarvan de uitkering werd geschorst.
2.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) A.M. Geurtsen