Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-01-16
ECLI:NL:CRVB:2024:253
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,488 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 16 januari 2024
23/1471 ONBEK
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, 22/7914
Partij:
[appellante] te [woonplaats] (appellant(e))
Overwegingen
Aangevallen uitspraak niet bekend
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepschrift wordt ondertekend en ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht bevat. In het tweede lid is bepaald dat bij het beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, wordt overgelegd. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij het ingediende beroepschrift is geen aangevallen uitspraak overgelegd. Evenmin is uit dit beroepschrift af te leiden tegen welke uitspraak het is gericht. Zo ontbreekt de datum van de uitspraak en is ook niet duidelijk welk bestuursorgaan de andere (verwerende) partij is.
Bij brief van 11 mei 2023 heeft de Raad appellant(e) verzocht binnen vier weken een kopie te zenden van de aangevallen uitspraak.
Appellant(e) heeft niet op deze brief gereageerd.
Bij e-mailbericht van 15 juni 2023 heeft de Raad de rechtbank Den Haag verzocht de uitspraak in de desbetreffende zaak toe te zenden. De rechtbank Den Haag heeft bij emailbericht van 29 juni 2023 te kennen gegeven dat de zaak van appellant(e) op 15 maart 2023 is ingetrokken.
Bij brief van 13 juli 2023 heeft de Raad appellant(e) nogmaals verzocht binnen vier weken na de datum van deze brief een kopie van de uitspraak van de rechtbank toe te zenden. Daarbij is erop gewezen dat als de uitspraak niet wordt toegezonden, appellant(e) er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij aangetekende brief van 28 augustus 2023 heeft de Raad appellant(e) nogmaals verzocht binnen vier weken na de datum van deze brief een kopie van de uitspraak van de rechtbank toe te zenden. Daarbij is er wederom op gewezen dat het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden, indien appellant(e) de uitspraak niet toezendt.
De Raad heeft niets meer van appellant(e) vernomen.
Geen griffierecht betaald
Bij brief van 29 augustus 2023 is appellant(e) erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 29 september 2023 is appellant(e) nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant(e) er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
De aangetekende brief van 29 september 2023 is retour ontvangen met de vermelding: “Niet afgehaald; retour afzender”.
Appellant(e) heeft het griffierecht niet voldaan.
Conclusie
De Raad kan niet vaststellen tegen welke uitspraak het hoger beroep is gericht, omdat dit niet uit het beroepschrift kan worden opgemaakt en niets meer is vernomen van appellant(e). Bovendien heeft appellant(e) het griffierecht niet voldaan. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant(e) niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2024.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Inleiding
Datum uitspraak: 16 januari 2024
23/1471 ONBEK
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, 22/7914
Partij:
[appellante] te [woonplaats] (appellant(e))
Overwegingen
Aangevallen uitspraak niet bekend
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepschrift wordt ondertekend en ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht bevat. In het tweede lid is bepaald dat bij het beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, wordt overgelegd. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij het ingediende beroepschrift is geen aangevallen uitspraak overgelegd. Evenmin is uit dit beroepschrift af te leiden tegen welke uitspraak het is gericht. Zo ontbreekt de datum van de uitspraak en is ook niet duidelijk welk bestuursorgaan de andere (verwerende) partij is.
Bij brief van 11 mei 2023 heeft de Raad appellant(e) verzocht binnen vier weken een kopie te zenden van de aangevallen uitspraak.
Appellant(e) heeft niet op deze brief gereageerd.
Bij e-mailbericht van 15 juni 2023 heeft de Raad de rechtbank Den Haag verzocht de uitspraak in de desbetreffende zaak toe te zenden. De rechtbank Den Haag heeft bij emailbericht van 29 juni 2023 te kennen gegeven dat de zaak van appellant(e) op 15 maart 2023 is ingetrokken.
Bij brief van 13 juli 2023 heeft de Raad appellant(e) nogmaals verzocht binnen vier weken na de datum van deze brief een kopie van de uitspraak van de rechtbank toe te zenden. Daarbij is erop gewezen dat als de uitspraak niet wordt toegezonden, appellant(e) er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Bij aangetekende brief van 28 augustus 2023 heeft de Raad appellant(e) nogmaals verzocht binnen vier weken na de datum van deze brief een kopie van de uitspraak van de rechtbank toe te zenden. Daarbij is er wederom op gewezen dat het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden, indien appellant(e) de uitspraak niet toezendt.
De Raad heeft niets meer van appellant(e) vernomen.
Geen griffierecht betaald
Bij brief van 29 augustus 2023 is appellant(e) erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 29 september 2023 is appellant(e) nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant(e) er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
De aangetekende brief van 29 september 2023 is retour ontvangen met de vermelding: “Niet afgehaald; retour afzender”.
Appellant(e) heeft het griffierecht niet voldaan.
Conclusie
De Raad kan niet vaststellen tegen welke uitspraak het hoger beroep is gericht, omdat dit niet uit het beroepschrift kan worden opgemaakt en niets meer is vernomen van appellant(e). Bovendien heeft appellant(e) het griffierecht niet voldaan. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant(e) niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2024.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.