Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-02-01
ECLI:NL:CRVB:2024:249
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,942 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 1 februari 2024
21/4147 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet tegen de uitspraak van de Raad van 31 mei 2022 in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2021, 20/4739 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam
Procesverloop
De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak op 31 mei
2022 niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen.
Appellant is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.
Het verzet is behandeld op de zitting van 22 december 2023 waar appellant is verschenen.
Overwegingen
In de uitspraak van de Raad van 31 mei 2022 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is voldaan.
De Raad zal eerst beoordelen of het verzet ontvankelijk is.
Bij brief van 29 juli 2022 zijn partijen op de hoogte gesteld dat er geen verzet is gedaan.
Appellant heeft alsnog gereageerd met een verzetschrift van 8 augustus 2022 bij de Raad ingekomen 15 augustus 2023. Appellant vermeldt in deze brief dat het verzet reeds lag besloten in de aard van het eerder (hoger) beroep en dat aan hem telefonisch door een medewerkster van de Raad te kennen was gegeven dat verzet niet mogelijk was en dat deze mogelijkheid ook niet was geboden in de uitspraak.
Bij brief van 21 april 2023 is appellant in de gelegenheid gesteld (nadere) redenen te geven waarom de verzettermijn is overschreden. Hierop reageert appellant met brief van 1 mei 2023 waarin onder andere wordt aangegeven dat er sprake is van oneerlijke informatievoorziening.
Vast staat dat de uitspraak van 31 mei 2022 op 7 juni 2022 per aangetekende post aan partijen is verzonden. 19 juli 2022 was de laatste dag dat nog verzet kon worden gedaan. In de uitspraak staat duidelijk dat binnen zes weken verzet kan worden gedaan.
Op 7 juni 2022 is eveneens de uitspraak van de voorlopige voorziening procedure verzonden. Tegen deze uitspraak kan geen verzet worden gedaan. Hierin is de mogelijkheid tot verzet ook niet geboden. De Raad snapt dat daar mogelijk verwarring door is ontstaan maar omdat uit de uitspraak duidelijk bleek dat instellen van verzet mogelijk was volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat er sprake is van oneerlijke informatievoorziening. Alle overige aangevoerde argumenten in verzet en op de zitting van appellant zoals het zich niet laten beperken door termijnen, dat tijd een perspectief is en er veel meer perceptie van tijd is dan wat er nu is, raken in het geheel niet aan de vraag naar de termijnoverschrijding. Het te laat indienen van het verzet wordt dan ook niet verschoonbaar geacht.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
EBV
Inleiding
Datum uitspraak: 1 februari 2024
21/4147 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet tegen de uitspraak van de Raad van 31 mei 2022 in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2021, 20/4739 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam
Procesverloop
De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak op 31 mei
2022 niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen.
Appellant is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.
Het verzet is behandeld op de zitting van 22 december 2023 waar appellant is verschenen.
Overwegingen
In de uitspraak van de Raad van 31 mei 2022 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is voldaan.
De Raad zal eerst beoordelen of het verzet ontvankelijk is.
Bij brief van 29 juli 2022 zijn partijen op de hoogte gesteld dat er geen verzet is gedaan.
Appellant heeft alsnog gereageerd met een verzetschrift van 8 augustus 2022 bij de Raad ingekomen 15 augustus 2023. Appellant vermeldt in deze brief dat het verzet reeds lag besloten in de aard van het eerder (hoger) beroep en dat aan hem telefonisch door een medewerkster van de Raad te kennen was gegeven dat verzet niet mogelijk was en dat deze mogelijkheid ook niet was geboden in de uitspraak.
Bij brief van 21 april 2023 is appellant in de gelegenheid gesteld (nadere) redenen te geven waarom de verzettermijn is overschreden. Hierop reageert appellant met brief van 1 mei 2023 waarin onder andere wordt aangegeven dat er sprake is van oneerlijke informatievoorziening.
Vast staat dat de uitspraak van 31 mei 2022 op 7 juni 2022 per aangetekende post aan partijen is verzonden. 19 juli 2022 was de laatste dag dat nog verzet kon worden gedaan. In de uitspraak staat duidelijk dat binnen zes weken verzet kan worden gedaan.
Op 7 juni 2022 is eveneens de uitspraak van de voorlopige voorziening procedure verzonden. Tegen deze uitspraak kan geen verzet worden gedaan. Hierin is de mogelijkheid tot verzet ook niet geboden. De Raad snapt dat daar mogelijk verwarring door is ontstaan maar omdat uit de uitspraak duidelijk bleek dat instellen van verzet mogelijk was volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat er sprake is van oneerlijke informatievoorziening. Alle overige aangevoerde argumenten in verzet en op de zitting van appellant zoals het zich niet laten beperken door termijnen, dat tijd een perspectief is en er veel meer perceptie van tijd is dan wat er nu is, raken in het geheel niet aan de vraag naar de termijnoverschrijding. Het te laat indienen van het verzet wordt dan ook niet verschoonbaar geacht.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
EBV