Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2024-07-16
ECLI:NL:CRVB:2024:2465
22/3788 PW-G, 23/230 PW-G Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep en als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2022, 21/671 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college) Datum uitspraak: 16 juli 2024 SAMENVATTING Appellante verricht werkzaamheden als marginaal zelfstandige. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij de vaststelling van de inkomsten als marginaal zelfstandige in de bijstand geen rekening moet worden gehouden met de voor de ontvangen inkomsten gemaakte verwervingskosten. Appellante voert ten onrechte aan dat slechts op verzoek toepassing kan worden gegeven aan de vrijlatingsregeling op inkomsten. De vrijlatingsregeling is dwingendrechtelijk voorgeschreven. Appellante heeft verder niet onderbouwd waarom het college geen administratieverplichting voor haar stichting op mag leggen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [naam 1] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft [naam 1] een zienswijze ingediend in het incidenteel hoger beroep en hierbij verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Aarts. Ter zitting heeft het college het incidenteel hoger beroep ingetrokken. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante heeft zich op 2 juni 2020 gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Participatiewet (PW) en heeft de aanvraag op 16 juli 2020 ingediend. Zij had ten tijde van belang twee ondernemingen op haar naam staan, te weten een eenmanszaak en een stichting. Het oogmerk van de eenmanszaak – een onderneming in de creatieve branche – is de verkoop van zelfgemaakte producten. Het oogmerk van de stichting – een non-profit onderneming – is volgens de Kamer van Koophandel het uitvoeren van sociale, maatschappelijke, groene doelen. 1.2. Het college heeft met een besluit van 20 augustus 2020 (besluit 1) beslist op de aanvraag van appellante. Hierbij heeft het college bijstand toegekend aan appellante met ingang van 1 januari 2020 met toepassing van de kostendelersnorm. Daarnaast heeft het college appellante aangemerkt als marginaal zelfstandige in verband met de werkzaamheden van bescheiden omvang in haar ondernemingen. Hierbij is vermeld dat zakelijke kosten, kosten van investeringen, bedrijfskosten, verwervingskosten en/of algemene beroepskosten niet worden meegenomen als zijnde aftrekbare onkosten, dat wil zeggen dat de omzet volledig op de uitkering in mindering moet worden gebracht. Verder heeft het college: - op de bijstand over maart 2020 € 300,- in mindering gebracht, met inachtneming van de vrijlatingsregeling van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW (vrijlatingsregeling), omdat appellante in die maand eenmalig een betaalde opdracht heeft gehad waarvoor zij € 300,- heeft ontvangen; - op de bijstand over april 2020 is € 10,82 in mindering gebracht, met inachtneming van de vrijlatingsregeling, omdat appellante op 15 april 2020 € 10,82 heeft ontvangen voor de verkoop van een zelfgemaakt boekje; - op de bijstand over juni 2020 is € 11,47 in mindering gebracht, met inachtneming van de inkomensvrijlating, omdat appellante in die maand viermaal zelfgemaakte lintjes heeft verkocht voor een totaalbedrag van € 11,47. 1.3. Met een brief van 22 augustus 2020 heeft appellante de vraag aan het college voorgelegd of het mogelijk is de stichting niet te zien als onderneming en bron van inkomsten. Daarnaast meldt zij zich in de brief aan als vrijw De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten voor zover dit ziet op het niet-verrekenen van verwervingskosten, het toepassen van de vrijlatingsregeling en het opleggen van de verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie voor de stichting. De Raad doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Verwervingskosten 4.1. Appellante heeft aangevoerd dat het college de verwervingskosten die zij als marginaal zelfstandige heeft moeten maken om de inkomsten uit haar eenmanszaak te kunnen verkrijgen ten onrechte niet heeft verrekend met die inkomsten. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante gewezen op de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Het inkomensbegrip dat hierin gehanteerd wordt, maakt verrekening van verwervingskosten wel mogelijk. Het nettoresultaat is van belang. De Wet IB 2001 is op iedereen van toepassing, ook op mensen die bijstand ontvangen. Door geen verrekening van verwervingskosten toe te staan worden mensen uitgesloten van inkomsten, terwijl dergelijke gronden van uitsluiting en belemmeringen niet in de PW en Wet IB 2001 staan. Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.1.1. Appellante ontvangt als marginaal zelfstandige bijstand op grond van de PW. De inkomsten die zij heeft verkregen met de activiteiten voor haar eenmanszaak zijn aan te merken als inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. 4.1.2. Anders dan appellante voorstaat, moet niet worden uitgegaan van het in de Wet IB 2001 gehanteerde inkomensbegrip, maar van de regeling over inkomen zoals neergelegd in (artikel 32 van) de PW. Het gaat hier om een wet in formele zin, die ziet op de verlening van bijstand, waarin is geregeld op welke wijze het college (de omvang van) het recht op bijstand van een belanghebbende moet bepalen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. 4.1.3. Uit de wetsgeschiedenis van het inkomensbegrip in de opeenvolgende bijstandswetten blijkt dat de wetgever van meet af aan uitdrukkelijk voor ogen heeft gestaan dat bij de in aanmerking te nemen inkomsten geen rekening wordt gehouden met verwervingskosten. In artikel 11 van het op de Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Bijstandsbesluit landelijke normering was bepaald dat bij het bepalen van de netto inkomsten rekening wordt gehouden met buitengewone verwervingskosten. Maar dat artikel is met de inwerkingtreding van artikel 20 van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing per 1 oktober 1994 komen te vervallen. De gedachte hierachter was dat het aan de gemeenten moest worden overgelaten om te beoordelen of buitengewone noodzakelijke verwervingskosten in verband met werkaanvaarding in het individuele geval moesten worden vergoed. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 43 – in het oorspronkelijke wetsontwerp: artikel 45 – van de ABW blijkt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de sinds 1 oktober 1994 ingezette lijn om (buitengewone) verwervingskosten niet op het inkomen in mindering te brengen, te handhaven. Deze lijn is gehandhaafd in de Wet werk en bijstand en de PW. De Raad heeft dit eerder in een andere uitspraak overwogen. Vrijlatingsregeling 4.2. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrijlatingsregeling dwingendrechtelijk wordt toegepast op de inkomsten van appellante. Appellante heeft belang bij toepassing van deze regeling op eigen verzoek, omdat na toepassing hiervan de inkomsten als marginaal zelfstandige gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend. Als haar inkomsten later hoger zijn, heeft zij er belang bij om de vrijlating pas later toe te passen. Volgens appellante ligt de keuze om een aanvraag tot vrijlating te doen bij