Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-12-17
ECLI:NL:CRVB:2024:2452
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,324 tokens
Inleiding
231107 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 maart 2023, 22/1116 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
Datum uitspraak: 17 december 2024
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: R.R. Olde Egberink
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Wittensleger, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Liefting.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) per meldingsdatum 28 januari 2021. Het college heeft de afwijzing na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 19 januari 2022 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante in aanmerking te nemen vermogen heeft, bestaande uit de opbrengst van de door haar en haar ex-partner verkochte woning. Het college stelt dat appellante kan beschikken over haar aandeel in de opbrengst van 50%, zijnde € 107.753,80 en over een banksaldo van € 200,83. Appellante heeft van de door haar gestelde totale schuld alleen een bedrag van € 12.455,13 aannemelijk gemaakt. Rekening houdend met een intering van anderhalf maal de bijstandsnorm van € 1.613,16 en de voor appellante geldende vermogensgrens van € 12.590,-, bedraagt het in aanmerking te nemen vermogen per datum melding € 81.296,34.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
3. Niet in geschil is dat appellante en haar ex-partner op 19 januari 2021 een bedrag van € 215.507,61 op hun gezamenlijke bankrekening hebben ontvangen en op 2 februari 2021 van deze rekening een bedrag van € 150.000,- hebben overgeboekt naar de bankrekening van de vader van de ex-partner.
4. Appellante voert aan dat het college en de rechtbank ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de totale schuld van € 145.745,68 aan de vader van haar ex-partner. Het bestaan van deze schuld volgt volgens appellante uit de in bezwaar overgelegde geldleningsovereenkomst tussen haar en de vader van haar ex-partner en uit facturen en nota’s van kosten die appellante en haar ex-partner moesten betalen. De vader van haar ex-partner heeft deze facturen en nota’s bij wijze van geldlening betaald. Appellante stelt verder dat haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning niet 50% maar 40% was en dat zij vóór de bijstandsaanvraag nog andere uitgaven heeft gedaan die op de verkoopopbrengst in mindering moeten worden gebracht.
5. De beroepsgrond van appellante slaagt niet. Hierbij kan in het midden blijven of appellante de totale schuld aan de vader van haar ex-partner van € 145.745,68 aannemelijk heeft gemaakt. Ook als rekening wordt gehouden met een schuld van € 145.745,68, dan wel van het overgemaakte bedrag van € 150.000,-, en van een aandeel van 40% in de verkoopopbrengst, resteert een vermogen van afgerond € 27.905,- respectievelijk € 26.203,-. Er is geen aanleiding om de door appellante gestelde en vóór de melding gedane uitgaven tot een bedrag van € 22.600,- op dit vermogen in mindering te brengen. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat dit bedrag ook een schuld is aan de vader van haar ex-partner, maar zij heeft dit niet onderbouwd. Dat dit een schuld is volgt ook niet uit de door appellante ingebrachte vermogensoverzichten. Als met de uitgaven van € 22.600,- geen rekening wordt gehouden, is niet in geschil dat appellante hoe dan ook een vermogen had dat ruim boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen lag.
6. Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft. Het betekent ook dat appellante geen vergoeding krijgt voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht niet terugkrijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) P.W. van Straalen
Inleiding
231107 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 maart 2023, 22/1116 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
Datum uitspraak: 17 december 2024
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: R.R. Olde Egberink
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Wittensleger, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Liefting.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) per meldingsdatum 28 januari 2021. Het college heeft de afwijzing na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 19 januari 2022 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante in aanmerking te nemen vermogen heeft, bestaande uit de opbrengst van de door haar en haar ex-partner verkochte woning. Het college stelt dat appellante kan beschikken over haar aandeel in de opbrengst van 50%, zijnde € 107.753,80 en over een banksaldo van € 200,83. Appellante heeft van de door haar gestelde totale schuld alleen een bedrag van € 12.455,13 aannemelijk gemaakt. Rekening houdend met een intering van anderhalf maal de bijstandsnorm van € 1.613,16 en de voor appellante geldende vermogensgrens van € 12.590,-, bedraagt het in aanmerking te nemen vermogen per datum melding € 81.296,34.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
3. Niet in geschil is dat appellante en haar ex-partner op 19 januari 2021 een bedrag van € 215.507,61 op hun gezamenlijke bankrekening hebben ontvangen en op 2 februari 2021 van deze rekening een bedrag van € 150.000,- hebben overgeboekt naar de bankrekening van de vader van de ex-partner.
4. Appellante voert aan dat het college en de rechtbank ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de totale schuld van € 145.745,68 aan de vader van haar ex-partner. Het bestaan van deze schuld volgt volgens appellante uit de in bezwaar overgelegde geldleningsovereenkomst tussen haar en de vader van haar ex-partner en uit facturen en nota’s van kosten die appellante en haar ex-partner moesten betalen. De vader van haar ex-partner heeft deze facturen en nota’s bij wijze van geldlening betaald. Appellante stelt verder dat haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning niet 50% maar 40% was en dat zij vóór de bijstandsaanvraag nog andere uitgaven heeft gedaan die op de verkoopopbrengst in mindering moeten worden gebracht.
5. De beroepsgrond van appellante slaagt niet. Hierbij kan in het midden blijven of appellante de totale schuld aan de vader van haar ex-partner van € 145.745,68 aannemelijk heeft gemaakt. Ook als rekening wordt gehouden met een schuld van € 145.745,68, dan wel van het overgemaakte bedrag van € 150.000,-, en van een aandeel van 40% in de verkoopopbrengst, resteert een vermogen van afgerond € 27.905,- respectievelijk € 26.203,-. Er is geen aanleiding om de door appellante gestelde en vóór de melding gedane uitgaven tot een bedrag van € 22.600,- op dit vermogen in mindering te brengen. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat dit bedrag ook een schuld is aan de vader van haar ex-partner, maar zij heeft dit niet onderbouwd. Dat dit een schuld is volgt ook niet uit de door appellante ingebrachte vermogensoverzichten. Als met de uitgaven van € 22.600,- geen rekening wordt gehouden, is niet in geschil dat appellante hoe dan ook een vermogen had dat ruim boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen lag.
6. Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft. Het betekent ook dat appellante geen vergoeding krijgt voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht niet terugkrijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) P.W. van Straalen