Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-01-31
ECLI:NL:CRVB:2024:243
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,526 tokens
Inleiding
22/2225 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2022, 20/1271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 31 januari 2024
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over vraag of het college de aanvraag voor een bruikleenauto op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) terecht heeft afgewezen, omdat een financiële tegemoetkoming voor een commerciële rolstoeltaxi een passende voorziening is voor appellant. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Benayad, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 december 2023. Voor appellant zijn mr. S. Toughza, advocaat, en de broer van appellant, J. el Yousfi verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1981, heeft een progressieve vorm van Multiple Sclerose (MS). Hierdoor is hij aan een rolstoel gebonden en heeft hij ernstige spraak- en slikproblemen. Om familieleden en behandelaars te kunnen bezoeken en recreatief op stap te kunnen gaan heeft appellant een maatwerkvoorziening in de vorm van een bruikleenauto aangevraagd op grond van de Wmo 2015. Het college heeft met een besluit van 26 februari 2018 de aanvraag afgewezen.
1.2.
Met een besluit van 22 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Ter onderbouwing heeft het college verwezen naar een advies van het Indicatie Adviesbureau Amsterdam (IAB) van 17 december 2019. In dat advies heeft het IAB geconcludeerd dat het aanvullend openbaar vervoer voor appellant niet passend is, omdat stoppen onderweg niet mogelijk is. Appellant is daarom aangewezen op een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. Volgens het college kan appellant met die vergoeding een commerciële rolstoeltaxi bestellen, waardoor appellant zelf geen vervoermiddel nodig heeft. Het college heeft daarmee appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat een bruikleenauto de enig passende voorziening is voor zijn vervoersproblemen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de financiële tegemoetkoming voor een rolstoeltaxi geen passende voorziening is. Appellant heeft zijn beroepsgrond dat het verstrekte budget niet toereikend is, namelijk niet onderbouwd. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de tegemoetkoming enkel bedoeld is voor vervoer binnen Amsterdam en dat de zorgverzekeraar ritten naar het ziekenhuis vergoedt.
4.2.
Ook de beroepsgrond dat de rolstoeltaxi regelmatig te laat verschijnt, is door appellant in het geheel niet concreet gemaakt. Hetzelfde geldt voor de beroepsgrond dat het zo nodig stoppen onderweg, in verband met de slikproblemen van appellant, ook bij de rolstoeltaxi een probleem is.
4.3.
De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college de aanvraag voor een bruikleenauto mocht afwijzen.
Conclusie
4.4.
Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D. Hardonk-Prins en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) S.S. Blok
Inleiding
22/2225 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2022, 20/1271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 31 januari 2024
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over vraag of het college de aanvraag voor een bruikleenauto op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) terecht heeft afgewezen, omdat een financiële tegemoetkoming voor een commerciële rolstoeltaxi een passende voorziening is voor appellant. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Benayad, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 december 2023. Voor appellant zijn mr. S. Toughza, advocaat, en de broer van appellant, J. el Yousfi verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1981, heeft een progressieve vorm van Multiple Sclerose (MS). Hierdoor is hij aan een rolstoel gebonden en heeft hij ernstige spraak- en slikproblemen. Om familieleden en behandelaars te kunnen bezoeken en recreatief op stap te kunnen gaan heeft appellant een maatwerkvoorziening in de vorm van een bruikleenauto aangevraagd op grond van de Wmo 2015. Het college heeft met een besluit van 26 februari 2018 de aanvraag afgewezen.
1.2.
Met een besluit van 22 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Ter onderbouwing heeft het college verwezen naar een advies van het Indicatie Adviesbureau Amsterdam (IAB) van 17 december 2019. In dat advies heeft het IAB geconcludeerd dat het aanvullend openbaar vervoer voor appellant niet passend is, omdat stoppen onderweg niet mogelijk is. Appellant is daarom aangewezen op een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. Volgens het college kan appellant met die vergoeding een commerciële rolstoeltaxi bestellen, waardoor appellant zelf geen vervoermiddel nodig heeft. Het college heeft daarmee appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat een bruikleenauto de enig passende voorziening is voor zijn vervoersproblemen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de financiële tegemoetkoming voor een rolstoeltaxi geen passende voorziening is. Appellant heeft zijn beroepsgrond dat het verstrekte budget niet toereikend is, namelijk niet onderbouwd. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de tegemoetkoming enkel bedoeld is voor vervoer binnen Amsterdam en dat de zorgverzekeraar ritten naar het ziekenhuis vergoedt.
4.2.
Ook de beroepsgrond dat de rolstoeltaxi regelmatig te laat verschijnt, is door appellant in het geheel niet concreet gemaakt. Hetzelfde geldt voor de beroepsgrond dat het zo nodig stoppen onderweg, in verband met de slikproblemen van appellant, ook bij de rolstoeltaxi een probleem is.
4.3.
De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college de aanvraag voor een bruikleenauto mocht afwijzen.
Conclusie
4.4.
Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D. Hardonk-Prins en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) S.S. Blok