Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-12-13
ECLI:NL:CRVB:2024:2393
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,082 tokens
Inleiding
21/3405 ZW
Datum uitspraak: 13 december 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
30 juli 2021, 20/1613 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. L.I. Olivier, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 2 juli 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 29 juli 2024 heeft opvolgend gemachtigde mr. W.P.J.M. van Gestel namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Overwegingen
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 juli 2024 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 2.187,50 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt met wegingsfactor 0,5 voor het indienen van een zienswijze, waarde per punt € 875,-) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift).
Ook komen de kosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het inschakelen van een deskundige voor vergoeding in aanmerking. De op de specificatie van de factuur van 22 juni 2022 genoemde administratiekosten van € 118,15 exclusief omzetbelasting komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat artikel 1 van het Bpb niet in vergoeding van deze kosten voorziet. De overige op deze factuur vermelde kosten met betrekking tot de werkzaamheden van de verzekeringsarts komen wel voor vergoeding in aanmerking. Het Uwv is akkoord met vergoeding van deze kosten. Dit betekent dat wat betreft deze factuur een bedrag van € 2.725,28 inclusief omzetbelasting wordt vergoed. Ook de facturen met bedragen van € 420,11 en € 104,65 inclusief omzetbelasting komen voor vergoeding in aanmerking. Het Uwv heeft zich met het vergoeden hiervan eveneens akkoord verklaard. De factuur van De Bureau’s van € 214,65 komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het Uwv onweerproken heeft gesteld dat hiervan geen onderliggend rapport is te vinden.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding voor de aan appellante door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 6.312,54.
Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.312,54;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Schaap