Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-28
ECLI:NL:CRVB:2024:2347
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,574 tokens
Inleiding
23/2240 AOW
Datum uitspraak: 28 november 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2023, 22/4821 AOW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant woont in Marokko. Met een besluit van 13 oktober 2021 (primaire besluit) heeft de Svb appellant een pensioenoverzicht verstrekt.
1.2.
Met een ongedateerd bezwaarschrift met een poststempel van 16 maart 2022 heeft appellant laten weten het niet eens te zijn met dit pensioenoverzicht. De Svb heeft het bezwaarschrift ontvangen op 5 april 2022. Op 2 juni 2022 heeft de Svb schriftelijk geïnformeerd bij appellant waarom het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn werd ingediend. Na uitblijven van een reactie heeft de Svb het bezwaar met het bestreden besluit van 22 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De Svb heeft toegezegd dat in het kader van de AOW-aanvraag appellant nog ten volle de mogelijkheid zal krijgen aan te tonen dat er sprake is van meer tijdvakken van AOWverzekering dan genoemd in het bestreden besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de aangevallen uitspraak. Appellant voert aan dat de vertraging bij de ontvangst van het bezwaar te wijten is aan de post en verzoekt de vertraging hem niet tegen te werpen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit om het bezwaar nietontvankelijk te verklaren in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.3.
Appellant heeft na het verstrijken van de bezwaartermijn bezwaar gemaakt. De bezwaartermijn van zes weken begint op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Het primaire besluit is bekendgemaakt door toezenden op 13 oktober 2021. Dat betekent dat de bezwaartermijn liep tot en met 24 november 2021. Volgens het poststempel is het bezwaarschrift 16 maart 2022 op de post gedaan. De Svb heeft het bezwaarschrift ontvangen op 5 april 2022.
4.4.
Het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift kan aan appellant worden toegerekend, zodat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Appellant heeft aangevoerd dat de te late ontvangst van zijn bezwaarschrift te wijten is aan een vertraging bij de post. Gelet op de datum van het poststempel heeft appellant het bezwaarschrift echter ruimschoots na het verstrijken van de bezwaartermijn verstuurd. De late ontvangst houdt dan ook geen verband met vertragingen bij de postbezorging. Er is niet gebleken dat appellant niet in staat was eerder bezwaar te maken.
Conclusie
4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van de Svb het bezwaarschrift niet inhoudelijk te beoordelen in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2024.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) L.C. van BentumDÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d’appel Centrale),
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M.A.H. van Dalen-van Bekkum en présence de L.C. van Bentum en qualité de greffier, ainsi qua prononcée en public, le 28 novembre 2024.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:41, eerste lid
De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8, eerste lid
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Algemene Ouderdomswet.
Artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).