Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-27
ECLI:NL:CRVB:2024:2289
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,619 tokens
Inleiding
23/610 WIA
Datum uitspraak: 27 november 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 januari 2023, 21/6282 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestiginsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van de ex-werknemer van appellante per 18 maart 2021 heeft vastgesteld op 49,28%. Volgens appellante zijn er andere geschikte functies voor de ex-werknemer te duiden, die tot een lager arbeidsongeschiktheidspercentage kunnen leiden. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K. Gomez hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De ex-werknemer heeft geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan appellante te sturen. De Raad heeft onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van appellante.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 maart 2024. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Bovenberg, opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het Uwv heeft vervolgens desgevraagd een aantal vragen beantwoord over het arbeidskundig onderzoek.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
De ex-werknemer, [naam ex-werknemer] , heeft voor het laatst gewerkt als medewerker intern transport voor appellante voor 40 uur per week. Op 21 maart 2019 heeft hij zich ziekgemeld. De ex-werknemer heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Hierna heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de ex-werknemer bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 april 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de ex-werknemer niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor hem passende functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 54,92%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 mei 2021 aan de ex-werknemer met ingang van 18 maart 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 14 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 49,28% en de resterende verdiencapaciteit gewijzigd naar € 1.805,60. Hieraan ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd. De arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben in hun rapporten en het resultaat functiebeoordeling voldoende gemotiveerd uitgelegd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn voor de ex-werknemer. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapporten van 8 augustus 2022 en 12 september 2022 voldoende uitgelegd waarom de door de ex-werknemer afgeronde opleiding tot data-analist geen verschil maakt voor de functieduiding. Het opleidingsniveau van de ex-werknemer is niveau 6 en er zijn geen opleidingsrichtingen verworpen die te maken hebben met data-analyse. Bij de analistenfuncties is gemotiveerd waarom deze niet geselecteerd kunnen worden. Ook het standpunt van appellante dat de functie van veerschipper (pontschipper) (SBC-code 282120) ten onrechte is verworpen, heeft de rechtbank niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat deze functie niet passend is.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Appellante heeft aangevoerd dat er ten onrechte functies zijn verworpen die tot een lager arbeidsongeschiktheidspercentage kunnen leiden. De overweging van de rechtbank dat gemotiveerd is waarom de analistenfuncties niet passend zijn, is niet begrijpelijk. De exwerknemer is langer dan een jaar werkzaam geweest als data-analist. Dit is een geheel andere functie dan de analistenfuncties die door het Uwv zijn bekeken. Het Uwv heeft niet gemotiveerd aangegeven waarom een functie van data-analist niet passend is. Volgens appellante komt deze functie voor in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en appellante vermoedt dat ten onrechte een opleidingsrichting is verworpen. Het Uwv had de functie van data-analist bij de theoretische schatting moeten betrekken. Verder heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de functie van veerschipper (pontschipper) niet passend is. Niet gebleken is dat de arbeidsdeskundige overleg heeft gehad met de verzekeringsarts over de vraag of aanraking met olie de belastbaarheid van de exwerknemer overschrijdt en of is beoordeeld of een hulpmiddel de overschrijding kan wegnemen. Ten slotte blijkt niet uit het resultaat functiebeoordeling dat er bij deze functie een overschrijding is op buigen. De arbeidsdeskundige heeft ook op dit punt niet beoordeeld of een overschrijding kan worden weggenomen door simpele aanpassingen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In hoger beroep heeft het Uwv nadere rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 49,28 % in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies.
4.2.
Geschil
4.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten in beroep en hoger beroep inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd dat de functie van veerschipper (pontschipper) niet geschikt is. In de functie is sprake van huidcontact met irriterende stoffen, waarvoor de ex-werknemer volgens de FML beperkt is. Het is algemeen bekend dat (motor)olie een irriterende stof is, zodat hierover geen overleg nodig was met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat in de beschrijving bij de functie handschoenen niet als optie als beschermend middel worden genoemd. Bovendien wordt de belastbaarheid van de ex-werknemer in die functie ook overschreden op de items buigen en tillen. Uit de functiebeschrijving blijkt dat eenmaal per dag 30 kilo moet worden getild omdat het luik van het motorcompartiment geopend moet worden. De ex-werknemer kan maar ongeveer 10 kilo tillen. Die belasting kan volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet worden weggenomen, omdat het gaat om een veerpont die redelijkerwijs niet verbouwd kan worden. Deze motvering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan worden gevolgd.
4.4.
Wat betreft de functie van data-analist heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep toegelicht dat geen opleidingsrichtingen zijn verworpen die betrekking hebben op dataanalyse. In zijn rapport van 3 april 2024 heeft hij nader toegelicht dat het CBBS-systeem alleen alle mogelijk geschikte functies presenteert. Het CBBS toonde in dit geval wel enkele analistenfuncties, maar die hebben geen betrekking op data-analyse. Indien in het CBBS een functie van data-analist zit, dan volgt daaruit dus automatisch dat die functie niet geschikt is voor de ex-werknemer. Het is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dus niet mogelijk om functies in het CBBS te raadplegen als deze niet worden gepresenteerd als een mogelijk geschikte functie. Appellante heeft deze toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet nader gemotiveerd betwist en er bestaat geen reden om aan deze toelichting te twijfelen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan de ex-werknemer per 18 maart 2021, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 49,28%, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) L.B. Vrugt