Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-28
ECLI:NL:CRVB:2024:2265
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
851 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 28 november 2024
24/320 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2023, 23/2146 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 4 juni 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 2 augustus 2024 heeft mr. Çelen namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb staat dat het bestuursorgaan met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Dat geldt op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb ook in hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 juni 2024 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het Uwv is door de rechtbank al veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure en van het hoger beroep.
Appellant heeft in de bezwaarfase niet gevraagd om een vergoeding van kosten in bezwaar. Voor een vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar bestaat daarom geen grond. Overigens heeft appellant in bezwaar zelf geprocedeerd en is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Ook dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 875,-;
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) S. Pouw