Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-27
ECLI:NL:CRVB:2024:2245
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,423 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 27 november 2024
22/141 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 december 2021, 19/2779 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. F.M. Meis, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een deskundigenrapport van het Expertise Instituut ingediend.
Bij brief van 5 december 2023 heeft het Uwv gereageerd op het deskundigenrapport. Daarbij is een besluit van 4 december 2023 overgelegd, waarbij het Uwv appellant een Wajong-uitkering heeft toegekend met ingang van 1 september 2020.
Bij brief van 14 december 2023 heeft mr. R.J. Hoogeveen zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Bij brief van 5 april 2024 heeft mr. Hoogeveen namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Bij het bestreden besluit van 3 juli 2019 heeft het Uwv het besluit van 28 maart 2019 gehandhaafd waarbij appellant per 18 december 2018 geen Wajong-uitkering heeft gekregen, omdat appellant beschikt over arbeidsvermogen. Daarnaast volgde appellant ten tijde van het bestreden besluit onderwijs. Dit betekent dat de uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong (oud) volgens het Uwv van toepassing is en appellant ook op deze grond geen recht had op een Wajong-uitkering.
3. Het Uwv heeft bij brief van 5 december 2023 een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Deze heeft naar aanleiding van het deskundigenrapport geconcludeerd dat appellant bij nader inzien op het achttiende levensjaar geen benutbare mogelijkheden heeft en dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Volgens het Uwv is appellant echter nog steeds als studerende uitgesloten van de Wajong, zodat per 18 december 2018 geen recht op een Wajong-uitkering bestaat. Omdat deze uitsluitingsgrond per 1 september 2020 is komen te vervallen, heeft het Uwv aan appellant bij besluit van 4 december 2023 alsnog een Wajong-uitkering toegekend per 1 september 2020. Volgens het Uwv valt deze beslissing
echter buiten de omvang van de procedure.
4. Namens appellant is daarop het hoger beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van de medische expertise.
5. De Raad ziet geen grond om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiertoe wordt overwogen dat op grond van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb alleen een proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken indien sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen van het Uwv aan het beroep van appellant. Hiervan is in dit geval geen sprake, nu het Uwv de afwijzing van de Wajongaanvraag per 18 december 2018 heeft gehandhaafd op de in het bestreden besluit genoemde uitsluitingsgrond van artikel 1a:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong (oud). Dat in verband met het vervallen van deze uitsluitingsgrond per 1 september 2020. alsnog per die datum een Wajong-uitkering aan appellant is toegekend, maakt dit niet anders.
6. De Raad stelt echter vast dat het Uwv op het verzoek van appellant om vergoeding van de gemaakte kosten in zijn brief van 26 juni 2024 expliciet heeft verklaard daarmee akkoord te zijn. Hoewel de Raad geen mogelijkheden ziet het Uwv op de voet van art 8:75a van de Awb in de gevraagde kosten te veroordelen, staat het appellant vrij zich tot het Uwv te wenden met het verzoek deze kosten - gezien de akkoordverklaring alsmede gelet op de overige omstandigheden van het geval- aan hem te vergoeden. De Raad merkt daarbij op dat de thans ingetrokken beroepsprocedure er toe heeft geleid dat appellant door het Uwv alsnog als jonggehandicapte in de zin van artikel 1a:1 van de Wajong is aangemerkt, als gevolg waarvan hij per 1 september 2020 (het moment waarop de uitsluitingsgrond van studerende is vervallen) alsnog recht heeft verkregen op een Wajong-uitkering.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) N. ter Heerdt