Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-27
ECLI:NL:CRVB:2024:2244
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,193 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 27 november 2024
22/2464 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 juni 2022, 21/2513 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[ex-werkgever B.V.] (ex-werkgever)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. F. Westenberg, advocaat, gronden van hoger beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Westenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijer.
Het onderzoek ter zitting is geschorst en de Raad heeft een deskundige benoemd. De deskundige heeft op 19 februari 2024 een rapport uitgebracht.
Namens appellant heeft mr. Westenberg op 25 maart 2024 een zienswijze ingediend.
Het Uwv heeft op 10 april 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 27 mei 2024 heeft mr. Westenberg namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 april 2024 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is geen grond. De gemachtigde van appellant heeft pas na de beslissing op bezwaar van 21 april 2021 in zijn beroepschrift van 31 mei 2021 verzocht om het Uwv te veroordelen in de kosten van de procedure in bezwaar. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 7:15, derde lid, van de Awb genoemde voorwaarde dat het verzoek moet zijn gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.
De Raad ziet wel aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-) en € 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het aanvullend hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke reactie op het deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 875,-) voor verleende rechtsbijstand. Ook komen voor vergoeding in aanmerking de door appellant gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep van € 11,80 en in hoger beroep van € 34,40, in totaal € 46,20.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.983,70.
Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.983,70;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) A.M. Korver