Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-22
ECLI:NL:CRVB:2024:2212
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
681 tokens
Inleiding
21/2755 WLZ
Datum uitspraak: 22 november 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juni 2021, 20/3719 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
wijlen [appellant] , in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (Groningen) (appellant)
het CAK
Procesverloop
Namens appellant heeft [naam broer] , broer van appellant, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 juli 2023. Voor appellant is niemand verschenen. Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Lalmohamed.
Op die zitting is vastgesteld dat appellant op 5 juni 2023 is overleden. Het onderzoek ter zitting is geschorst om te onderzoeken of de erfgenamen van appellant de procedure voortzetten.
[naam broer] heeft de Raad in een brief van 19 maart 2024 bericht geen duidelijkheid te kunnen geven over de erfgenamen en voortzetting van de procedure.
De Raad heeft, gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant van 11 september 2024 aangekondigd dat de behandeling van de zaak op de zitting van 11 oktober 2024 zal plaatsvinden. Van de zijde van de erfgenamen van appellant is niemand ter zitting verschenen. Namens het CAK heeft A. Mizab via een beeldbelverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Appellant is op 5 juni 2023 overleden. Daarmee is zijn belang bij voortzetting van het geding komen te vervallen.
2. Naast de aankondiging in de Staatscourant, is een uitnodiging voor de zitting van 11 oktober 2024 zowel per aangetekende als per gewone post naar het laatst bekende adres van appellant gestuurd.
3. Niet is gebleken van erfgenamen die appellant als partij in dit geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten. Ook na de aankondiging in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Dit betekent dat er geen processueel belang meer is om het hoger beroep te beoordelen. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, als voorzitter en M.A.H. van Dalenvan Bekkum en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2024.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) S.S. Blok