Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-06
ECLI:NL:CRVB:2024:2190
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,281 tokens
Inleiding
23/910 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 februari 2023, 22/2053 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen (college)
Datum uitspraak: 6 november 2024
Zitting heeft: D. Hardonk-Prins, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt
Partijen zijn niet verschenen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Overwegingen
Inleiding
1. Met een besluit van 5 april 2022 heeft het college aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor de periode van 4 januari 2021 tot en met 31 december 2023 een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning verstrekt met een omvang van 205 minuten per week in de vorm van zorg in natura. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit van 21 april 2022. Volgens het college is bij de vaststelling van de omvang van de huishoudelijke ondersteuning in voldoende mate rekening gehouden met de beperkingen van appellante.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en betwist – kort samengevat – de omvang van de verstrekte huishoudelijke ondersteuning.
Beoordeling
4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellante procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.2.
Vast staat dat het hier gaat om een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura over een periode die al is verstreken. Het met terugwerkende kracht verstrekken van meer huishoudelijke ondersteuning in natura is niet mogelijk. Een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit is in dit geval niet van belang voor een toekomstige periode. Appellante heeft immers geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 december 2023, waarmee aan haar voor een opvolgende periode een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning is verstrekt. Daarnaast heeft appellante te kennen gegeven dat haar gezondheidssituatie inmiddels is verslechterd. Verder is zij overgestapt naar een andere huishoudelijke hulp. Zij heeft verklaard dat zij tevreden is met de oplossing rondom deze overstap. De gemachtigde van appellante heeft nog gesteld dat appellante een schadevergoeding beoogt na een gewonnen zaak, omdat appellante meent schade te hebben geleden. Ook dat is in dit geval geen reden om procesbelang aan te nemen, omdat niet gesteld noch gebleken is dat appellante in de periode in geding extra ondersteuning heeft ingekocht. Ook is niet tenminste een summiere onderbouwing gegeven voor het bestaan van immateriële schade. De gemachtigde van appellante heeft laten weten dat hij in het dossier geen aanvullingen heeft. Niet is voldaan aan het vereiste dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. Ten slotte levert het niet vergoeden van bezwaarkosten evenmin procesbelang op.
Conclusie
5.1.
Hieruit volgt dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
5.2.
Gezien de uitkomst van deze zaak krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) D. Hardonk-Prins