Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-10-16
ECLI:NL:CRVB:2024:2161
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
760 tokens
Inleiding
221579 TW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2022, 20/8725 TW (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 16 oktober 2024
Zitting hebben: mr. A.I. van der Kris als voorzitter van de meervoudige kamer en mr. G.C. Boot en mr. J.P. Loof als leden.
Griffier: M. Reith
De Raad heeft het hoger beroep van appellant behandeld op een zitting van 16 oktober 2024. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. J.J. Brosius, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Vastgesteld is dat partijen ter zitting inhoudelijk tot een schikking zijn gekomen. Daarbij hebben partijen ook onderlinge afspraken gemaakt over de vergoeding door het Uwv van de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep en het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht. Er bestaat geen inhoudelijk geschil meer tussen partijen. Appellant heeft het hoger beroep echter niet ingetrokken. Dit heeft te maken met het volgende.
Appellant wenst een schadevergoeding te ontvangen wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Ter zitting is vastgesteld dat de redelijke termijn met meer dan een half jaar is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn uitsluitend in de rechterlijke fase is geschonden. Dit betekent dat de schadevergoeding geheel voor rekening van de Staat dient te komen. Partijen kunnen dit dus niet onderling regelen. Daarom heeft appellant het hoger beroep niet ingetrokken en de Raad verzocht de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.000,-. De Raad heeft dit verzoek ingewilligd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier. De voorzitter van de meervoudige kamer.
(getekend) M. Reith (getekend) A.I. van der Kris