Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-14
ECLI:NL:CRVB:2024:2157
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,046 tokens
Inleiding
23/1574 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2023, 23/5 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 november 2024
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 24 maart 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft de beroepsgronden aangevuld en medische stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 januari 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
De Raad heeft het onderzoek geschorst en het Uwv verzocht om een reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep op de medische stukken die appellant heeft ingediend.
Vervolgens heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2024 ingediend.
Appellant heeft nog een stuk ingediend van Clinics In Revalidatie (CIR).
Het onderzoek is voortgezet op een zitting van 3 oktober 2024. Appellant is verschenen,
bijgestaan door mr. Alaca. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Khali.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als chauffeur/bezorger voor 44,48 uur per week. Op 26 maart 2020 heeft hij zich ziekgemeld met hand- en polsklachten. Ook is er sprake van duizelingen. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 maart 2022. De nadien van appellant na het spreekuur verkregen aanvullende informatie is voor de verzekeringsarts blijkens een aanvullend rapport geen reden geweest voor wijziging van de FML. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 21 maart 2022 geweigerd appellant met ingang van 24 maart 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 24 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een op het item 4.3 (hand- en vingergebruik; de pincetgreep) gewijzigde FML van 16 november 2022 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de onderzoeksactiviteiten die door de verzekeringsartsen zijn gedaan, de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De (verzekerings)artsen hebben duidelijk, begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe zij tot hun beoordeling zijn gekomen. Ook vloeit de conclusie logisch voort uit de onderzoeksbevindingen.
2.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat appellant
belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv
zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om medische stukken in te dienen. Hiervan heeft appellant ook gebruik gemaakt door
stukken van de huisarts in te brengen en medische stukken van de neuroloog en de KNO-arts.
2.4.
Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. Het Uwv heeft erkend dat appellant zowel psychische als lichamelijke klachten heeft en de (verzekerings)artsen hebben rekening gehouden met de aandoeningen van appellant door daarvoor beperkingen aan te nemen. De rechtbank heeft naar aanleiding van wat appellant in beroep heeft aangevoerd geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de (verzekerings)artsen. Daarbij heeft de rechtbank het van belang geacht dat appellant zijn standpunt dat hij meer beperkt is niet heeft onderbouwd met (medische) informatie.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen de uitspraak aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Er is onvoldoende rekening gehouden met de handklachten en de nek- en schouderklachten. Door de pijnklachten en slapeloosheid is appellant overdag vermoeid en suf. Volgens appellant zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen vanwege de draaiduizeligheid. Hij heeft erop gewezen dat de KNO-arts heeft gezegd dat er sprake is van aanvalsgewijze vertigo na COVID en vestibulaire migraine. Appellant heeft daarom een laag handelingstempo. Hij heeft bij de zitting bij de rechtbank verteld dat hij alles langzaam moet doen, omdat hij anders duizelig wordt en vervolgens misselijk wordt en moet braken. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant medische informatie ingediend.
3.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten omdat hij met zijn rechterhand geen gereedschap kan hanteren en ook niet in staat is om daarmee met zeer fijne componenten zeer zorgvuldig te werken. Hij kan niet werken met een pincet en soldeerapparaat. Appellant stelt dat hij de functie van textielproductenmaker niet kan verrichten, omdat hij hooikoorts heeft en allergisch is voor stof. Appellant is niet in staat om de functie inpakker te verrichten, omdat hij met zijn rechterhand niet kan grijpen. In deze functie wordt hij geacht om als inpakker van koekjes met beide handen de koekjes vanaf de band en met beide handen te grijpen. Dat gaat niet met de rechterhand.
Het standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De beroepsgrond dat er te weinig rekening is gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten en dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen, slaagt niet. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep op 19 december 2023 en 5 januari 2024 een groot aantal medische gegevens ingediend. Hij is van mening dat uit deze stukken blijkt dat er reden is voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 11 maart 2024 gereageerd op deze stukken, zoals hierna aangegeven, en overtuigend toegelicht waarom deze geen aanleiding zijn voor een ander standpunt over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding.
Duizeligheid
4.3.1.
In zijn reactie heeft de verzekeringsarts bezwaar een beroep de informatie van de KNOarts van 4 augustus 2022 besproken. Appellant is door de KNO-arts gezien vanwege duizeligheid. Er is geconcludeerd dat sprake is van vertigo bij inspanning met duidelijke hyperventilatiecomponent en er zijn aanwijzingen voor vestibulaire migraine. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn toelichting dat, als wordt uitgegaan van de geconstateerde vertigo bij inspanning met een duidelijke hyperventilatiecomponent en vestibulaire migraine klachten, met de duizeligheid voldoende rekening is gehouden door de aangenomen beperkingen voor werk met een verhoogd persoonlijk risico en beroepsmatig vervoer.
Schouderklachten
4.3.2.
In reactie op de informatie van de pijnspecialist uit mei 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat deze arts bij onderzoek een pijnlijke schouder zag, echter zonder bewegingsbeperking. De pijnspecialist heeft geen behandeling uitgevoerd maar appellant terugverwezen naar de huisarts voor diagnostiek. De echo laat een beeld zien van een tendinitis/tendinose van de supraspinatuspees met enkele verkalkingen, waarna appellant in augustus 2023 naar shockwave therapie is verwezen. Deze informatie ziet op de situatie meer dan een jaar na de datum in geding en is niet zonder meer te betrekken op de datum in geding. Dat er 15 maanden na de datum in geding wat verkalkinkjes in de schouder zijn gezien betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat deze op de datum in geding ook al aanwezig waren. In dat verband heeft hij erop gewezen dat bij het lichamelijk onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 24 oktober 2022 een volledige abductie van de rechterschouder werd gezien. Nu er geen sprake was van bewegingsbeperking in de schouder, kan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de schouderbeperkingen (naast de al aangenomen beperking op item 5.7) geen aanscherping behoeven worden gevolgd.
Longklachten
4.3.3.
Appellant heeft gesteld dat zijn klachten zijn ontstaan na COVID en daarmee samenhangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is ingegaan op de brieven van de longarts over het tijdvak van januari 2023 tot en met begin mei 2023 en de samenvattende brief van 8 augustus 2023, handelend over duizeligheid en kortademigheid bij inspanning na COVID-19 in maart 2020. Vermeld is dat de longarts een normale longfunctie heeft vastgesteld, dat een röntgenfoto van de longen ook een normaal beeld liet zien en dat een histamineprovocatietest negatief was. In de brief van 8 augustus 2023 heeft de longarts geconcludeerd dat er waarschijnlijk sprake is van longcovid omdat de duizeligheid en kortademigheid zijn ontstaan na doormaken van een COVID-infectie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is deze volgordelijkheid onvoldoende om de diagnose longcovid te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft twijfels geuit over de gestelde COVID-infectie aan het begin van de pandemie en daarvoor onder meer verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts, waarin deze schrijft dat appellant naar eigen zeggen aan het begin van de pandemie corona heeft gehad maar testen toen ‘moeilijk’ was, en de brief van de huisarts van 30 oktober 2020 waarin is vermeld dat een bloedtest op antistoffen voor COVID negatief was. Van meer belang is voorts dat de longarts voor de kortademigheid van appellant geen verklaring heeft gevonden, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Gelet op het voorgaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gevonden om de fysieke belastbaarheid aan te passen. De Raad volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het standpunt dat de overgelegde informatie geen aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen. Daargelaten of de klachten samenhangen met een COVID-infectie dient in de FML de juiste vertaalslag te worden gemaakt naar beperkingen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat in het geval van appellant hiermee onvoldoende rekening is gehouden. Daarbij is van belang dat wel degelijk rekening is gehouden met een verminderde fysieke belastbaarheid van appellant. Appellant is immers aangewezen op licht fysieke werkzaamheden. In verband met duizeligheidsklachten en tramadolgebruik is appellant verder beperkt voor werk met verhoogd persoonlijk risico en beroepsmatige chauffeursdiensten.
Handklachten
4.3.4.
Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de diagnose carpaal tunnelsyndroom (CTS) rechts bekend was bij de primaire arts. In het rapport van deze arts van 14 maart 2022 is vermeld dat appellant therapie heeft gehad waardoor zijn klachten grotendeels zijn verholpen. Op datum in geding stonden de handklachten dus niet meer op de voorgrond. In de door appellant ingediende brieven van de neuroloog van 1 maart 2022 en
3 april 2022 wordt melding gemaakt van een atypische gevoelsstoornis, maar niet
van een actueel CTS. Er zijn diverse handbeperkingen in de FML opgenomen in verband met de duimklachten van appellant. Langdurig gedwongen houdingen of standen met rechterarm en -hand dienen vermeden te worden, evenals extreme arm/handbewegingen, sterke schokken en trillingen aan de arm en hand. Nu er op de datum in geding geen sprake was van een actueel CTS, kan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medische grond is voor aanscherping van de FML op dit punt, worden gevolgd.
Psychische klachten
4.3.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat uit de informatie van de huisarts die appellant heeft ingediend, naar voren komt dat de huisarts uitgaat van een depressie uitgelokt door lichamelijke beperkingen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) S. Pouw