Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-07
ECLI:NL:CRVB:2024:2128
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,921 tokens
Inleiding
24/57 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 november 2023, 23/615 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 november 2024
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 september 2024. Voor appellant is mr. El Idrissi verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als callcentermedewerker (klantadviseur zorg) voor 23,92 uur per week. Op 8 februari 2020 heeft hij zich ziekgemeld wegens verslavingsproblematiek en depressie. Appellant heeft op 9 november 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Er heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts van het Uwv, die appellant fysiek op het spreekuur heeft gezien. Deze arts heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 april 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk, maar wel voor drie andere (voorbeeld)functies. Berekend is dat appellant 22,08% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft bij besluit van 2 juni 2022 de WIA-aanvraag van appellant met ingang van 10 maart 2022 geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen verzekeringsgeneeskundige argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd 22,08% is. Het Uwv heeft bij besluit van 20 januari 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 maart 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellant op 10 maart 2022 duidelijk, begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van de lichamelijke en psychische klachten en heeft daarvoor beperkingen aangenomen. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen reden gezien te twijfelen aan de toelichting van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgelegd waarom geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en waarom geen sprake is van een disfunctioneren op grond van een ernstige psychische stoornis. Dat het appellant niet lukt op macroniveau te kunnen participeren in arbeid wordt niet gezien als een volledig onvermogen omdat appellant juist baat heeft bij ritme, structuur en arbeid, wat kan worden bevorderd door arbeid. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen reden gezien de geschiktheid van de geduide functies in twijfel te trekken.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn fysieke en psychische klachten. Appellant heeft primair gesteld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, nu is gebleken dat het hem op macroniveau niet lukt te participeren in arbeid, dat sprake is van initiatiefverlies en van een ernstig psychische stoornis met disfunctioneren. Subsidiair heeft appellant gesteld dat, gelet op de psychische klachten en de kenmerken van ADHD, er in de rubriek persoonlijk functioneren beperkingen moeten worden vastgesteld ten aanzien van vasthouden en verdelen van aandacht en in de rubriek sociaal functioneren beperkingen moeten worden vastgesteld ten aanzien van samenwerken. In de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen moeten meer en zwaardere beperkingen worden aangenomen ten aanzien van duwen en trekken, tillen en dragen en zitten tijdens het werk. Al zijn klachten hebben volgens appellant tot gevolg dat hij niet in staat is 24 uur per week arbeid te verrichten. Appellant heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de functies voor hem ongeschikt zijn omdat hij niet in staat is te participeren in arbeid. Daarnaast overschrijden de functies zijn belastbaarheid. Appellant heeft verzocht om inschakeling van een medisch deskundige.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
In hoger beroep heeft appellant volstaan met een exacte herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft in hoger beroep (net als in beroep) geen nieuwe medische informatie genoemd of overgelegd. Het is aan appellant om in hoger beroep gronden aan te voeren tegen wat in de aangevallen uitspraak is overwogen over dat wat in beroep tegen het bestreden besluit is aangevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 juni 2023 gereageerd op de beroepsgronden. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd uiteengezet waarom de beroepsgronden niet slagen. De in hoger beroep herhaalde gronden geven geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden onderschreven.
4.2.
Omdat geen twijfel bestaat over de medische beoordeling door het Uwv, is er geen aanleiding voor het benoemen van een medisch deskundige.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van het Uwv appellant per 10 maart 2022 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) L.B. Vrugt