Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-10-24
ECLI:NL:CRVB:2024:1986
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Verzet
811 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 24 oktober 2024
23/2899 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Amsterdam van 18 augustus 2023, 22/5645 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
In de uitspraak van 5 april 2024 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft daartegen verzet gedaan.
Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 12 september 2024. Partijen zijn niet op de zitting verschenen.
Overwegingen
In de uitspraak van de Raad van 5 april 2024 is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de in een brief van 17 oktober 2023 gestelde termijn van 28 dagen na de dag van verzending van die brief is betaald.
Appellante heeft op 27 mei 2024 bij de Raad tegen die uitspraak verzet gedaan. Op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de artikelen 6:7, 6:8 en 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing bij verzet. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het doen van verzet zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De laatste dag waarop tijdig verzet kon worden gedaan, was17 mei 2024. Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na de verzetstermijn ingediend verzetschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Beoordeeld moet worden of die situatie zich voordoet.
In verzet heeft appellante aangevoerd dat zij in verband met haar ziekte niet in staat is om tijdig op alle brieven te reageren en dat zij het griffierecht niet kan betalen. Haar overleden partner was de enige die haar kon onderhouden.
De Raad ziet geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De stelling dat appellante ziek is, is daarvoor niet voldoende. Zij heeft die stelling niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd, zodat niet kan worden beoordeeld of die omstandigheid de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De overige gronden kunnen daarom niet meer worden besproken.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) F. Sporrel