Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-10-17
ECLI:NL:CRVB:2024:1980
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,103 tokens
Inleiding
24/78 WAJONG
Datum uitspraak: 17 oktober 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 november 2023, 22/808 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op [geboortedatum] 1987 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) en de vijf jaar daarna duurzaam niet over arbeidsvermogen. Daarom had hij als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Peelen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 september 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Peelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1960. Hij heeft met een door het Uwv op 25 augustus 2021 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij ASS en ADHD heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van thoracovasculaire heelkunde van 6 mei 2015, van psychiater K. Houshang Pour van 14 juni 2021 en van psycholoog A. Wingen van 28 januari 2019. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellant op de datum van de aanvraag geen arbeidsvermogen heeft maar dat hij over arbeidsvermogen beschikte tot minimaal 14 september 2008 omdat hij tot die datum bij verschillende werkgevers heeft gewerkt. Met een besluit van 18 oktober 2021 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 18 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat aannemelijk is geworden dat appellant in de Wajong-gerechtigde periode (1978 tot 1983) niet kan worden aangemerkt als jonggehandicapte volgens de criteria van de Wajong 2015. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie van appellant heeft onderschat.
2.2.
De verzekeringsartsen hebben de medische informatie betrokken bij de beoordeling en hebben onderkend dat de gestelde diagnoses, autisme en ADHD, ook al op het achttiende jaar tot beperkingen zullen hebben geleid. Bij de beoordeling is ook betrokken dat appellant in de te beoordelen periode diverse dienstverbanden heeft gehad. Appellant heeft geen informatie overgelegd die ziet op deze periode. Hoewel de rechtbank begrijpt dat appellant zich met het bestreden besluit en de daarbij behorende motivering van het Uwv benadeeld voelt voor het feit dat hij in het verleden gewerkt heeft, terwijl hij daar naar eigen zeggen niet toe in staat was, kan dit niet betrokken worden bij de beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op basis van de duur van de dienstverbanden mogen aannemen dat appellant op zijn achttiende verjaardag en in de vijf jaar erna arbeidsvermogen had. De omstandigheid dat gegevens over de Wajong-relevante periode door het tijdsverloop niet meer voorhanden zijn, komt naar vaste rechtspraak voor risico van degene die de laattijdige aanvraag indient. Dit geldt evenzeer voor het ontbreken van – meer gedetailleerde – gegevens over het arbeidsverleden. Het Uwv heeft appellant terecht een Wajong-uitkering geweigerd. Nu appellant in de te beoordelen periode arbeidsvermogen had, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het arbeidsvermogen duurzaam ontbreekt.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat hij op zijn achttiende geen arbeidsvermogen had en dit toen ook niet kon ontwikkelen. Dit blijkt uit de diagnose ASS die pas in 2018 gesteld konden worden. Het ontbreken van arbeidsvermogen kon niet eerder worden vastgesteld.
3.2.
Bij appellant was op zijn achttiende sprake van ziekte of gebrek. Appellant heeft gesteld dat hij met de kennis en wetenschap van nu in de periode van zijn achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna niet was gaan werken, althans niet zodanig dat daar arbeidsvermogen uit kan worden afgeleid. Hij was een zogenoemde draaideur WW-er. Door de goedheid van werkgevers en eigen inzet heeft appellant kunnen werken, maar altijd korte periodes. Van daadwerkelijk arbeidsvermogen kan daarom niet worden gesproken.
Het standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht heeft besloten dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat hij tussen zijn achttiende en drieëntwintigste verjaardag (van [geboortedatum] 1978 tot [geboortedatum] 1983) arbeidsvermogen had.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.
4.4.
Het in hoger beroep overgelegde stuk over de diagnose Asperger leidt niet tot een ander oordeel. Het betreft algemene informatie van de Nederlandse Vereniging voor Autisme over de vraag vanaf wanneer in Nederland werd gewerkt met de diagnose Asperger (ongeveer 1994). De vraag welke diagnose zou zijn gesteld in 1978 is niet doorslaggevend voor de vraag of appellant toen arbeidsvermogen had. Het gaat immers niet om de diagnose, maar om de beperkingen die appellant in die periode ondervond. Daarover is geen objectieve en verifieerbare informatie. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij een laattijdige aanvraag, de bewijslast en dus het bewijsrisico bij de aanvrager ligt. De omstandigheid dat het medische beeld en de concrete beperkingen met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker vast zijn te stellen, blijft daarom voor risico van appellant.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2024.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) F. Sporrel
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1400.