Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-10-09
ECLI:NL:CRVB:2024:1911
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
967 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 9 oktober 2024
24/752 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2024, 23/4518 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[wettelijk vertegenwoordiger] te [woonplaats] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van[appellant] (appellant)
het CIZ
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Overwegingen
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 4 april 2024 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Per e-mailbericht van 8 april 2024 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van 7 juni 2024 heeft de Raad de gemachtigde van appellant verzocht om appellant het formulier betalingsonmacht te laten invullen en binnen vier weken retour te sturen. Daarbij is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat indien het formulier niet op tijd retour is gestuurd, of indien gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.
Bij brief van 16 juli 2024 heeft de Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen, aangezien (de gemachtigde van) appellant niet (tijdig) heeft voldaan aan het verzoek van de Raad van 7 juni 2024. Meegedeeld is dat een (nieuwe) herinnering griffierecht zal worden verzonden met het verzoek het griffierecht binnen de in de in de herinnering gestelde betalingstermijn te betalen.
Bij aangetekende brief van 17 juli 2024 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2024.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.