Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-09-20
ECLI:NL:CRVB:2024:1822
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,047 tokens
Inleiding
23/1849 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 mei 2023, 22/2036 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (college)
Datum uitspraak: 20 september 2024
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de omvang van de op grond van de Wmo 2015 verstrekte maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. De Raad is van oordeel dat het college de omvang van deze maatwerkvoorziening niet op de juiste wijze heeft bepaald en voorziet zelf in de zaak, met toepassing van het HHM Normenkader 2019. In de tweede plaats gaat het om de vraag of de was- en strijkservice als algemene voorziening mocht worden verstrekt. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 juni 2024. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Ruijs.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1936, kampt met lichamelijke klachten en ondervindt daardoor beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke taken. In verband daarmee ontving zij van het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Vanwege het aflopen van deze maatwerkvoorziening heeft appellante bij het college een aanvraag gedaan om deze te verlengen en uit te breiden.
1.2.
Bij besluit van 16 februari 2022 heeft het college beslist op deze aanvraag. Het college heeft appellante voor de periode van 28 januari 2022 tot en met 31 januari 2027 een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden basis van 525 minuten per maand verstrekt, dat is 121 minuten per week. Daarnaast heeft het college aan appellante voor de periode van 28 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 een maatwerkvoorziening wasverzorging van 260 minuten per maand verstrekt, dat is 60 minuten per week.
1.3.
Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college het besluit van 16 februari 2022 gewijzigd. Het college heeft de aan appellante verstrekte maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden basis voor de periode van 7 juli 2022 tot en met 31 januari 2027 opgehoogd tot 34.049 minuten over de gehele looptijd, dat is 143 minuten per week. Anders dan in het besluit van 16 februari 2022 heeft het college nu, bovenop de basismodule, extra tijd verstrekt voor ‘Woonkamer: stof afnemen midden’ en ‘Extra slaapkamer: stof afnemen hoog/midden/laag, opruimen en stofzuigen’. Daarnaast heeft het college aan appellante voor deze periode een maatwerkvoorziening wasverzorging van in totaal 3.459 minuten verstrekt, dat is 15 minuten per week. De maatwerkvoorziening wasverzorging is bedoeld voor het sorteren en opbergen van het wasgoed. Voor de wasverzorging zelf kan appellante vanaf 1 juli 2022 gebruikmaken van de algemene voorziening was- en strijkservice.
1.4.
Bij besluit van 20 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het college beslist op het bezwaar van appellante. Het college heeft het bezwaar mede gericht geacht tegen het besluit van 5 juli 2022 en dat besluit gehandhaafd.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, omdat het college bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden ten onrechte geen tijd heeft toegekend voor het schoonhouden van de niet regulier in gebruik zijnde ruimtes. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre vernietigd en zelf in de zaak voorzien door de aan appellante verstrekte maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden voor de periode van 7 juli 2022 tot en met 31 januari 2027 op te hogen tot 147 minuten per week. Wat betreft de wasverzorging heeft de rechtbank de verstrekte voorziening toereikend geacht.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht tot haar oordeel over het bestreden besluit is gekomen aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
Appellante voert aan dat het college, bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden, ten onrechte het door KPMG Plexus en Bureau HHM opgestelde rapport Normering van de basisvoorziening ‘Schoon Huis’ van 12 augustus 2016 (Utrechtrapport) en het rapport Norm huishoudelijke ondersteuning in Twente van 10 februari 2017 van Bureau HHM (Twenterapport) heeft gehanteerd. Die rapporten zijn namelijk niet op objectief en onafhankelijk onderzoek gebaseerd.
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De door het college in dit geval gehanteerde Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Twenterand 2022 (Beleidsregels) zijn op het Twente-rapport gebaseerd. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld berust het Twenterapport, waar het gaat om het resultaat schoon en leefbaar huis, op onafhankelijk onderzoek en mag dat rapport in zoverre worden gebruikt. Wat appellante in deze zaak aanvoert geeft de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
4.3.
Appellante voert aan dat het college bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden ten onrechte losse tijden heeft gebruikt die in het Twente-rapport voor afzonderlijke activiteiten zijn opgenomen.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt. In de bijlage bij de Beleidsregels zijn voor afzonderlijke activiteiten tijdsbestedingen opgenomen. Het college heeft op basis daarvan tijd verstrekt voor afzonderlijke activiteiten, zoals hiervoor in 1.3 weergegeven. De Raad heeft eerder echter al geoordeeld dat het niet de bedoeling is dat de tijdsbestedingen voor afzonderlijke activiteiten uit het Twenterapport als zelfstandige normtijden voor losse schoonmaaktaken worden gebruikt. Dit wordt ook bevestigd door de opmerking in het Twente-rapport dat tijdsbestedingen voor losse schoonmaaktaken geen uitvoeringsnormen of instructietijden voor uitvoerenden zijn. Dat het in dit geval gaat om extra tijd die bovenop de basisnorm wordt toegekend, maakt dat niet anders.
4.5.
Appellante voert aan dat de algemene voorziening was- en strijkservice in wezen een maatwerkvoorziening is. Het college doorkruist met deze wasvoorziening, die alleen na voorafgaand onderzoek toegankelijk is, de systematiek van de Wmo 2015. Bovendien is de algemene voorziening was- en strijkservice niet passend voor appellante, vanwege haar incontinentie en omdat zij er uit privacyoverwegingen moeite heeft.
4.6.
De beroepsgrond slaagt niet. De Raad heeft eerder in een vergelijkbare zaak al geoordeeld dat de aan de orde zijnde was- en strijkservice een algemene voorziening is. Wat appellante aanvoert geeft geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen. Dat de algemene voorziening voor appellante niet passend zou zijn, wordt niet gevolgd. Hierbij is van belang dat het college heeft toegelicht dat de was van appellante tweemaal per week kan worden opgehaald, zodat die niet te lang blijft liggen. Verder heeft het college voldoende toegelicht op welke wijze de privacy van appellante wordt gewaarborgd.
Conclusie
4.7.
Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, als hierna vermeld. Het beroep van appellante moet gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd, voor zover daarbij een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden van 143 minuten per week is verstrekt. Daarnaast moeten de besluiten van 16 februari 2022 en 5 juli 2022 worden herroepen voor zover daarbij een maatwerkvoorziening hulp in het huishouden van 121 respectievelijk 143 minuten per week is toegekend. De Raad zal, in het belang van een definitieve beslechting van het geschil, zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.8.
De Raad heeft eerder geoordeeld dat het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van Bureau HHM (HHM Normenkader 2019) als uitgangspunt kan dienen bij het vaststellen van de omvang van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning, voor zover dat kader ziet op het resultaat schoon en leefbaar huis. In deze zaak leidt toepassing van het HHM Normenkader 2019 tot het volgende.
4.9.
Het vertrekpunt is de ‘basis-cliëntsituatie’, waarbij 125 minuten per week wordt verstrekt voor hulp bij het huishouden. Hierbij is één slaapkamer inbegrepen. Niet in geschil is dat de woning van appellante daarnaast nog drie andere ruimtes kent, die niet als slaapkamer in gebruik zijn. Voor elk van die ruimtes dient 5 minuten per week te worden verstrekt, dus in totaal 15 minuten per week. Verder heeft het college in de besluitvorming aangenomen dat de inrichting van de woning in dit geval tot extra inzet moet leiden. Op basis van het HHM Normenkader 2019 betreft dit 15 minuten per week. Dat het knoeien van appellante tot het verstrekken van extra tijd zou moeten leiden, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat de omvang van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden op 155 minuten per week (125+15+15) wordt bepaald.
5. Appellante krijgt een vergoeding van haar proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 875,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift). Appellante krijgt ook het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 oktober 2022, voor zover daarbij een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden van 143 minuten per week is verstrekt;
herroept de besluiten van 16 februari 2022 en 5 juli 2022 voor zover daarbij een maatwerkvoorziening hulp in het huishouden van 121 respectievelijk 143 minuten per week is verstrekt;
verstrekt aan appellante voor de periode van 28 januari 2022 tot en met 31 januari 2027 een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden van 155 minuten per week en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 20 oktober 2022;
veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 875,-;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en J.J. Janssen en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2024.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) M. Dafir
Uitspraken van 10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835, ECLI:NL:CRVB:2018:3836 en ECLI:NL:CRVB:2018:3837.
Uitspraak van 17 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:743.
Zie blz. 35 van het Twente-rapport.
Uitspraak van 17 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:743.
Uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2470.