Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-30
ECLI:NL:CRVB:2024:1708
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,031 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 30 augustus 2024
23/3318 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2023, 22/5205 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Overwegingen
Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 7 augustus 2023 in afschrift aan partijen toegezonden, en op 18 oktober 2023 retour binnengekomen bij de rechtbank Amsterdam. De uitspraak is diezelfde dag nogmaals aan appellante toegezonden, ditmaal per niet-aangetekende post. Daarbij is appellante erop gewezen dat met de tweede verzending geen nieuwe termijn is gaan lopen voor het instellen van hoger beroep.
Het beroepschrift is op 6 december 2023 ontvangen. Het is, gezien de poststempel op de enveloppe, op 9 november 2023 ter post bezorgd.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 12 januari 2024 is aan appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellante heeft daarop bij brief van 12 februari 2024 (binnengekomen bij de Raad op 23 februari 2024) geantwoord dat zij de aangevallen uitspraak (te) laat heeft ontvangen, en daardoor ook te laat haar beroepschrift heeft opgestuurd.
Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In dat verband wordt overwogen dat de aangevallen uitspraak op 7 augustus 2023 aan appellante is toegezonden, maar dat deze destijds niet is afgehaald en retour is verzonden. Met de nieuwe toezending op 18 oktober 2023 is geen nieuwe termijn gaan lopen voor het instellen van het hoger beroep en dus is het hoger beroep te laat ingediend.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid vanA.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2024.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.