Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-22
ECLI:NL:CRVB:2024:1699
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,391 tokens
Inleiding
23/1330 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2023, 22/1243 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 22 augustus 2024
Zitting heeft: K.H. Sanders, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: I. van der Hout
Ter zitting is appellant verschenen, bijgestaan door mr. A.L. Kuit, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F. Jim.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Overwegingen
1. Appellant ontving sinds maart 2018 een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen bij zorgverlener [zorgverlener] op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Met een besluit van 7 september 2021, gehandhaafd met een besluit van 8 februari 2022 (bestreden besluit), heeft het college de ondersteuning bij [zorgverlener] met ingang van 13 september 2021 beëindigd. Volgens het college is sprake van een verstoorde vertrouwensrelatie tussen [zorgverlener] en appellant en heeft appellant zich niet gehouden aan de gemaakte afspraken. Voor de resterende duur van de verstrekte periode komt appellant nog steeds in aanmerking voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen, zij het bij een andere zorgverlener.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij vindt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door de zorgovereenkomst eenzijdig en op zeer korte termijn te beëindigen. Zijn belangen zijn daarbij ook onvoldoende meegewogen.
4. De Raad beoordeelt ambtshalve of appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden. Het niet inwilligen van een verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar, bijvoorbeeld omdat het bezwaar ongegrond is verklaard, levert geen zelfstandig procesbelang op.
4.2.
Vaststaat dat het hier gaat om een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura over een periode die is verstreken. Daarnaast is gebleken dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de verstrekte maatwerkvoorziening te verzilveren bij een andere zorgverlener. Ook heeft appellant geen nieuwe aanvraag gedaan voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Op basis hiervan concludeert de Raad dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit niet van belang is voor een toekomstige periode.
4.3.
Anders dan wat appellant ter zitting heeft gesteld, is zijn belang ook niet gelegen in vergoeding van immateriële schade.
4.3.1.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
4.3.2.
Nog daargelaten of de gestelde schade het gevolg is van de bestreden besluitvorming, heeft appellant op geen enkele wijze met (medische) stukken onderbouwd dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarom is op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden.
Conclusie
5.1.
Uit het voorgaande volgt dat appellant geen procesbelang heeft. Zijn hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
5.2.
Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk is krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en krijgt hij ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) I. van der Hout (getekend) K.H. Sanders