Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-27
ECLI:NL:CRVB:2024:1697
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,984 tokens
Inleiding
23/1563 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2023, 22/4557 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 augustus 2024
SAMENVATTING
In deze zaak heeft het college bij drie afzonderlijke besluiten de bijstand van appellante bij wijze van maatregelen verlaagd. De reden daarvan was dat appellante meerdere malen haar verplichtingen niet is nagekomen. Appellante vindt dat het college ten onrechte iedere gedraging sanctioneert met een maatregel. Net als de rechtbank is de Raad het niet met haar eens. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft aan appellante een regiebrief verzonden en haar in de gelegenheid gesteld om op vragen van de Raad te reageren. De Raad heeft appellante en het college ook gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord. Appellante heeft niet op de regiebrief gereageerd en evenmin binnen de haar gegeven termijn verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Het college heeft toestemming gegeven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.
De Raad heeft met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt vanaf 5 februari 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 3 augustus 2021 de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 1 augustus 2021 met 10% voor de duur van een maand verlaagd. De reden hiervan was dat zij niet op een afspraak voor een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling is verschenen. Appellante heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Het college heeft appellante in het kader van haar re-integratie aangemeld voor een traject. Zij is niet verschenen op afspraken op 13 september 2021, 15 september 2021 en 19 oktober 2021. Daarom heeft het college bij besluit van 25 november 2021 (besluit 1) de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 1 december 2021 met 30% voor de duur van drie maanden verlaagd.
1.4.
Appellante is op 10 november 2021 niet verschenen om haar arbeidsmogelijkheden te bespreken. Om deze reden heeft het college bij besluit van 1 maart 2022 (besluit 2) de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 1 april 2022 met 80% voor de duur van een maand verlaagd. Omdat appellante eerder bij besluit van 3 augustus 2021 een maatregel opgelegd heeft gekregen, is er volgens het college sprake van recidive.
1.5.
Het college heeft appellante de verplichting opgelegd om een curriculum vitae (cv) over te leggen en haar daarna in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling uitgenodigd voor een gesprek op 9 februari 2022. Zij moest daarbij onder andere haar cv en bewijsstukken van sollicitaties overleggen. Appellante is verschenen, maar heeft deze stukken niet overgelegd. Bij besluit van 4 april 2022 (besluit 3) heeft het college de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 1 mei 2022 met 30% voor de duur van een maand verlaagd.
Bestreden besluit
1.6.
Bij besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1, 2, en 3 ongegrond verklaard en deze besluiten in stand gelaten.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het volgende overwogen. Van een getrapte besluitvorming in de zin van artikel 7:11 van de Awb is geen sprake. Het college heeft evenmin gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij voert aan dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11 van de Awb. Er is sprake van getrapte besluitvorming door iedere gedraging afzonderlijk met een maatregel te sanctioneren. Ook heeft het college gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Appellante mocht erop vertrouwen dat zij achteraf niet wordt geconfronteerd met een maatregel over een periode waarover al een maatregel is opgelegd.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Wat appellante aanvoert is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom deze gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen, zoals weergegeven in 2, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.
4.2.
Anders dan appellante lijkt te betogen zijn de drie maatregelen opgelegd in verband met van elkaar te onderscheiden gedragingen die op verschillende momenten hebben plaatsgevonden. Er is in dit geval dus sprake van drie afzonderlijke primaire besluiten gebaseerd op verschillende feitelijke gedragingen. Van strijd met artikel 7:11 van de Awb en van getrapte besluitvorming is dan ook geen sprake.
4.3.
Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt alleen al niet omdat zij deze grond, hoewel daartoe bij regiebrief uitgenodigd, niet heeft onderbouwd.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2024.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) M. Zwart
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.