Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-15
ECLI:NL:CRVB:2024:1612
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,168 tokens
Inleiding
23/2104 WAJONG
Datum uitspraak: 15 augustus 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 juni 2023, 22/2441 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J. El Haddouchi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak op een zitting van 4 juli 2024 aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft met een door het Uwv op 23 februari 2021 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woonde. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Met een besluit van 2 augustus 2021 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat appellant op het moment dat hij studeerde en arbeidsongeschikt werd, niet in Nederland of een land van de EU, EER of Zwitserland woonde.
1.2.
Bij besluit van 4 april 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen omdat hij geen ingezetene was van Nederland op zijn achttiende verjaardag. Een voorwaarde om als jonggehandicapte te worden aangemerkt is onder meer dat iemand ingezetene moet zijn. Dat volgt uit de definitie van jonggehandicapte in artikel la:1, eerste lid, sub a, van de Wajong. Uit rechtspraak van de Raad volgt dat dit het geval moet zijn op de dag dat een aanvrager achttien jaar werd. Niet in geschil is dat appellant op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene was. Appellant is daarom geen jonggehandicapte als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, sub a, van de Wajong en voldoet om die reden niet aan die voorwaarde om voor een Wajong-uitkering in aanmerking te komen. Anders dan appellant voor ogen heeft, wordt hem geen uitsluitingsgrond, zoals bepaald in artikel la:6 van de Wajong, tegengeworpen. Zijn stelling dat hem een recht op een Wajonguitkering toekomt omdat zich geen uitsluitingsgrond meer voor zou doen, slaagt dan ook niet.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen de uitspraak aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Appellant stelt dat de kernvraag is of aan appellant een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:6 lid 1, sub c, van de Wajong (het niet in Nederland wonen) wordt tegengeworpen, en in het bevestigende geval, er op grond van 1a:3 lid 2, van de Wajong alsnog een recht op Wajong ontstaat als deze uitsluitingsgrond zich niet meer voordoet. In het bestreden besluit is opgenomen: “Dat deze uitsluitingsgrond op de dag dat u in Nederland kwam wonen niet meer van toepassing is doet niet terzake.” Met deze uitsluitingsgrond wordt bedoeld, het op het achttiende jaar geen ingezetene zijn. Daarom acht appellant de motivering van de rechtbank onjuist.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
4.1.
Een van de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op een Wajong-uitkering is ingezetenschap op de achttiende verjaardag.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Er wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen jonggehandicapte is als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, sub a, van de Wajong, omdat appellant op zijn achttiende verjaardag geen ingezetene was en hij daarom niet voldoet aan die voorwaarde om voor een Wajong-uitkering in aanmerking te komen.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant niet als jonggehandicapte is aan te merken.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Bijlage
Artikel 1a:1 van de Wajong
1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1:2 van de Wajong
1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene.
3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1250.