Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-06
ECLI:NL:CRVB:2024:1585
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,135 tokens
Inleiding
23/879 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 februari 2023, 22/3464 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 6 augustus 2024
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over de herziening van de bijstand van appellant en zijn echtgenote over de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 december 2020. Het college heeft de bijstand over deze periode met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet (PW) afgestemd omdat de huur van de woning door een derde werd betaald. Appellant heeft aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door een vriend (X) betaalde huurbedragen heeft terugbetaald. Appellant krijgt daarin geen gelijk.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.W. Aartsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 juni 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aartsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 4 juni 2010 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de PW. Naar aanleiding van een melding over mogelijke werkzaamheden van appellant heeft een handhavingsspecialist van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende bijstand. Hierbij zijn onder meer afschriften van de betaalrekening en de creditcardrekening van appellant opgevraagd. Op de bankafschriften zijn bijschrijvingen en stortingen zichtbaar, maar ook dat appellant geen maandelijkse huurbetalingen heeft gedaan. Appellant heeft tijdens een gesprek op 1 maart 2021 verklaard dat de huur van de woning werd betaald door een vriend X en dat hij de huur weer terugbetaalde aan X. Hij deed dat met geld dat hij opnam van zijn creditcardrekening. Uit informatie van de woningbouwvereniging is naar voren gekomen dat X in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 december 2020 de maandelijkse huur van de woning van € 678,49 rechtstreeks heeft betaald aan de woningbouwvereniging. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 13 oktober 2021.
1.2.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om met een besluit van 28 oktober 2021 de bijstand van appellant en zijn echtgenote te herzien over de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 december 2020 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.463,39 van hen terug te vorderen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 8 juni 2022 (bestreden besluit) bij de herziening en terugvordering gebleven.
1.3.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een bijzondere situatie die maakt dat de bijstand van appellant en zijn echtgenote moet worden afgestemd met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW. De bijzondere situatie is dat de verschuldigde huur van de woning in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 december 2020 door een derde is betaald. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de door X betaalde huurbedragen aan X heeft terugbetaald. Omdat appellant en zijn echtgenote deze kosten niet meer zelf hoefden te voldoen uit de bijstandsnorm, leverde dit een substantiële besparing op.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening en terugvordering van de bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Niet in geschil is dat X in de periode van februari 2020 tot en met december 2020 de huur van de woning van appellant en zijn echtgenote betaalde. Het geschil ziet in de kern op de vraag of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door X in de periode van februari 2020 tot en met december 2020 betaalde huur aan hem heeft terugbetaald. Omdat het college tijdens de zitting van de rechtbank heeft verklaard dat, als dit aannemelijk is, ‘het’ een ander verhaal is, zal de Raad beoordelen of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door X voldane huurtermijnen heeft terugbetaald.
4.2.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de door X voldane huurtermijnen heeft terugbetaald gewezen op de in hoger beroep overgelegde verklaring van X van 27 februari 2023. Daarin staat – kort gezegd – dat hij appellant heeft voorgesteld vanwege diens financiële problemen de huur te betalen en dat appellant in plukjes mocht terugbetalen. In de verklaring staat ook dat de schuld niet hoger mocht zijn dan het bedrag van één maand huur. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij X deels heeft terugbetaald door bedragen van zijn creditcardrekening op te nemen en die contant aan X te geven. Het andere deel heeft hij via overschrijving naar de bankrekening van X terugbetaald.
4.2.1.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft appellant geen concreet, verifieerbaar bewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij een deel van de door X voldane huurtermijnen achteraf aan X contant heeft terugbetaald. De opnames van de creditcardrekening zijn daarvoor onvoldoende. Hierbij is van belang dat het gaat om opnames van wisselende bedragen die zowel wat betreft de hoogte als in tijd niet overeenkomen met het maandelijkse huurbedrag. Niet duidelijk is wat appellant met het opgenomen geld heeft gedaan.
4.2.2.
Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij een deel van de voorgeschoten huurbedragen via een overschrijving op de bankrekening van X, heeft terugbetaald. De Raad stelt hierbij voorop dat deze stelling in strijd is met wat appellant eerder heeft verklaard. Tijdens het gesprek op 1 maart 2021 en ook tijdens de zitting van de rechtbank heeft appellant namelijk verklaard dat hij zijn huur altijd contant aan X terugbetaalde via opnames van zijn creditcardrekening. Tijdens de zitting van de rechtbank heeft appellant bovendien verklaard dat hij X nooit via de bank terugbetaalde. Gelet hierop komt aan het door appellant verstrekte overzicht van de resultaten van een zoekopdracht op de bankrekening van X naar bijschrijvingen afkomstig van appellant niet die betekenis toe die appellant daaraan toedicht. Dat de overschrijvingen betrekking zouden hebben op voorgeschoten huurbedragen staat immers haaks op de eerder door appellant afgelegde verklaringen. Het overzicht voegt bovendien niets toe aan de overschrijvingen die ook zichtbaar zijn op de bankrekening van appellant.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit over de herziening en terugvordering van de bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en krijgt hij ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van S. van Pelt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2024.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) S. van Pelt