Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-01
ECLI:NL:CRVB:2024:1574
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
951 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 1 augustus 2024
23/3228 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 oktober 2023, 21/4772
Partijen:
[appellant] uit [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Overwegingen
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 3 januari 2024 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 3 februari 2024 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Als het griffierecht niet tijdig is betaald blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat staat in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb, dat ook in hoger beroep van toepassing is. Het gaat daarbij om de vraag of het niet tijdig betalen van het griffierecht aan de indiener kan worden toegerekend. Het niet tijdig betalen is niet toerekenbaar als dit het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die daartoe heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval in hun samenhang worden bezien.
Als eenmaal is vastgesteld dat het griffierecht niet tijdig is betaald en vervolgens wordt geoordeeld dat dit niet verschoonbaar is, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. In dat geval is een belangenafweging niet mogelijk. Dit betekent dat niet inhoudelijk naar de zaak kan worden gekeken.
Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat sprake is (geweest) van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Het hoger beroep is daarom kennelijk nietontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.