Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-07-24
ECLI:NL:CRVB:2024:1497
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
953 tokens
Inleiding
23/450 ZW
Datum uitspraak: 24 juli 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022, 22/721 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. O. Labordus hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 23 november 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 2 januari 2024 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en verzocht de wettelijke rente te vergoeden over de na te betalen uitkering.
Het Uwv heeft bij brief van 19 januari 2024 meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de gevraagde vergoeding van proceskosten en wettelijke rente.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 november 2023 geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen.
Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en op € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 2.625,-.
Niet is gebleken dat appellant in bezwaar kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Ook dient het Uwv aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- dient te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.625,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2024.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) S.P.A. Elzer