Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-07-18
ECLI:NL:CRVB:2024:1466
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
961 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 18 juli 2024
20/3585 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2020, 20/625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en dr. J.H. Bruning, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft, samen met dr. C. Jansen, neuroloog, op 27 juni 2023 rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven.
Met een besluit van 22 november 2023 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 22 november 2023 hem alsnog met ingang van 29 mei 2019 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft toegekend.
3. Aldus is het Uwv geheel aan appellant tegemoetgekomen. Het Uwv wordt daarom veroordeeld in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van een zienswijze op het deskundigenrapport). Totaal: € 3.937,50.
4. Ook zal de Raad bepalen dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.937,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 179,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M. Reith als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2024.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M. Reith