Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-07-17
ECLI:NL:CRVB:2024:1453
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
934 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 17 juli 2024
22/940 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2022, 21/2469 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2022. Voor appellant is verschenen mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft verzekeringsarts L. GrevelingFockens als onafhankelijke deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 4 september 2023 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven.
Het Uwv heeft op 10 november 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 18 januari 2024 heeft mr. Gürses namens appellant het hoger beroep ingetrokken en de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 november
2023 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en
€ 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na het verslag deskundigenonderzoek).
Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.937,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) S.P.A. Elzer