Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-07-09
ECLI:NL:CRVB:2024:1356
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,118 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 9 juli 2024
23/2034 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 mei 2023, 23/326
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Overwegingen
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft in haar hogerberoepschrift van 7 juli 2023 aangegeven niet in staat te zijn het griffierecht te betalen.
Bij brief van 3 januari 2024 heeft de Raad appellante verzocht de verklaring met betrekking tot het beroep op betalingsonmacht in te vullen en binnen twee weken te retourneren. Daarbij is appellante erop gewezen dat als het formulier niet op tijd retour is gestuurd, of als gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen en appellante alsnog griffierecht moet betalen.
Bij digitaal bericht van 17 januari 2024 heeft appellante de Raad verzocht om de nota van het griffierecht te sturen en om uitstel van betaling van het griffierecht te verlenen in verband met het aanvragen van bijzondere bijstand bij de gemeente. Op 18 januari 2024 heeft appellante de Raad daarnaast verzocht om uitstel van het invullen van het formulier betalingsonmacht.
Bij brief van 15 februari 2024 heeft de Raad aan appellante meegedeeld dat de nota van het griffierecht pas verstuurd wordt als het traject voor beroep op betalingsonmacht is afgehandeld, en dat geen uitstel wordt verleend voor betaling van het griffierecht. Wel heeft de Raad aan appellante twee weken uitstel verleend voor het invullen van de verklaring. Daarbij is appellante er wederom op gewezen dat als het formulier niet op tijd retour is gestuurd, of als gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.
De Raad heeft bij brief van 22 maart 2024 het beroep op betalingsonmacht afgewezen, omdat appellante niet (tijdig) het formulier betalingsonmacht heeft ingevuld en retour heeft gestuurd.
Bij brief van 27 maart 2024 is appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 27 april 2024 is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2024.
(getekend) C.E.M. Marsé
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.