Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-17
ECLI:NL:CRVB:2024:1333
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
994 tokens
Inleiding
23334 AKW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2022, 21/6221 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 17 mei 2024
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: R.R. Olde Engberink
Ter zitting zijn verschenen: namens appellante mr. G.A.S. Maduro; namens de Svb J.Y. van den Berg.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante is op 11 februari 2021 vanuit [X] naar Nederland gekomen met haar twee minderjarige kinderen. In maart 2021 heeft appellante kinderbijslag op grond van de AKW aangevraagd. Met een besluit van 1 april 2021 heeft de Svb de aanvraag over het tweede kwartaal van 2021 afgewezen, omdat appellante op de peildatum van dat kwartaal nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Bij het bestreden besluit van 17 augustus 2021 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante op de peildatum van het tweede kwartaal van 2021 nog geen ingezetene was. De rechtbank weegt van de genoemde feiten en omstandigheden mee dat appellante na haar komst naar Nederland in februari 2021 wel de intentie heeft geuit om zich definitief in Nederland te vestigen, maar dat deze intentie onvoldoende door objectieve factoren wordt ondersteund. Op de peildatum 1 april 2021 verbleef eiseres nog maar kort in Nederland, namelijk een maand en drie weken. Appellante had geen duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte, maar woonde bij haar volwassen dochter in. Verder had appellante op de peildatum in geding wel een binding met haar meerderjarige kinderen in Nederland, maar zij had geen werk en geen andere wezenlijke en objectiveerbare bindingen in Nederland. Gelet op deze feiten en omstandigheden was er op de peildatum nog geen sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Het feit dat de kinderen in Nederland naar school gaan doet hier niet aan af.
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij betoogt dat zij op de peildatum van het tweede kwartaal van 2021 wel degelijk in Nederland woonde. Zij had geen banden meer met [X], was in Nederland ingeschreven en haar kinderen gingen in Nederland naar school.
4. De Raad is van oordeel dat appellante op 1 april 2021 nog geen ingezetene van Nederland was. Appellante had toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank waarin, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang zijn genoemd. Appellante heeft in hoger beroep hetzelfde aangevoerd als in beroep bij de rechtbank. De Raad is het met de uitspraak van de rechtbank eens en neemt de overwegingen daarvan over. Er is geen aanleiding om in verband met recente ontwikkelingen in het bestuursrecht tot een andere uitleg van het begrip ingezetene te komen.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Algemene Kinderbijslagwet.