Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-19
ECLI:NL:CRVB:2024:1331
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,506 tokens
Inleiding
21/4184 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 oktober 2021, 20/1638 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem (college)
Datum uitspraak: 19 maart 2024
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het uitwerken van een geluidsopname van een gesprek met de sociale recherche. Het college heeft de afwijzing onder meer gebaseerd op de grond dat de kosten niet noodzakelijk zijn. Appellant vindt dat deze kosten wel noodzakelijk zijn. Appellant krijgt geen gelijk. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 februari 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ikiz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Huntjens en W.H.A. Ottenheim.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant woont met ingang van 1 augustus 2013 in de gemeente [woonplaats] en ontvangt vanaf die datum bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
In het kader van een onderzoek naar de rechtmatige verstrekking van de bijstand aan appellant heeft op 15 augustus 2017 een gesprek met een medewerker bijzonder preventief onderzoek van de gemeente [woonplaats] en een sociaal rechercheur plaatsgevonden. Van dit gesprek heeft appellant met toestemming een geluidsopname gemaakt. Het onderzoek heeft geleid tot besluiten over het recht op bijstand van appellant en uiteindelijk tot de uitspraak van de Raad van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:643.
1.3.
Appellant heeft op 6 september 2019 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de PW ingediend voor de kosten van het uitwerken van de geluidsopname tot een bedrag van € 769,56.
1.4.
Bij besluit van 17 september 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 mei 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt onder meer ten grondslag dat de kosten voor het uitwerken van de geluidsopname niet noodzakelijk waren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt, voor zover voor de uitspraak van de Raad van belang, hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet onder meer worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat de kosten van het uitwerken van de geluidsopname van het gesprek noodzakelijk zijn. De geluidsopname is uitgewerkt door de secretaresse van zijn gemachtigde ten behoeve van de behandeling van het hoger beroep van appellant op de zitting van de Raad op 9 maart 2020 en appellant wilde hiermee duidelijk maken dat het door de sociale recherche opgemaakte verslag van het gesprek op 15 augustus 2017 onvolledig was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
Niet in geschil is dat van het gesprek op 15 augustus 2017 een verslag is opgemaakt. Appellant had in hoger beroep de Raad kunnen aanvoeren dat, en waarom, het verslag van het gesprek onvolledig of onjuist was en hij had de Raad daarbij kunnen vragen om de geluidsopname te beluisteren. Het was hierbij niet noodzakelijk om het verslag te laten uitwerken. De enkele wens om tot versterking van de eigen positie in het geschil met het college te komen, vormt hiervoor geen toereikende grond. De kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zijn daarom geen noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.
4.3.
Omdat het bestreden besluit alleen hierom al standhoudt, kan wat appellant verder heeft aangevoerd buiten bespreking blijven.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2024.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. ter Heerdt