Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-28
ECLI:NL:CRVB:2024:1325
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,330 tokens
Inleiding
23/2483 AKW
Datum uitspraak: 28 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
12 juli 2022, 22/5280 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
SAMENVATTING
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellante over het derde kwartaal van 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2022 geen recht heeft op kinderbijslag op grond van de AKW. Op de peildatum van die kwartalen was appellante nog geen ingezetene van Nederland.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 mei 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellante heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij is op 3 juni 2021 met haar dochter [naam dochter 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008, en kleindochter [naam kleindochter], geboren op [geboortedatum 2] 2012, vanuit [X] naar Nederland gekomen. Op 1 juli 2021 is ook dochter [naam dochter 2], geboren op [geboortedatum 3] 2004, naar Nederland gekomen. Appellante en haar kinderen zijn eerst inwonend geweest bij kennissen respectievelijk familie en vervolgens in een hotel. Vanaf 25 januari 2022 wonen zij in een vakantiewoning die dient als door de gemeente betaalde noodopvang. Dit in afwachting van een plek in een gezinsopvang waar appellante een behandeltraject zou gaan volgen.
1.2.
Op 11 december 2021 heeft appellante kinderbijslag aangevraagd. Met een besluit van 31 maart 2022 heeft de Svb vanaf het tweede kwartaal van 2022 kinderbijslag toegekend. Bij het bestreden besluit van 19 juli 2022 is het bezwaar van appellante tegen de ingangsdatum ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante over het derde kwartaal van 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2022 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij op de peildatum van die kwartalen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellante op de peildatum van de in geding zijnde kwartalen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft betoogd dat zij al ingezetene is vanaf de peildatum van het derde kwartaal van 2021. Zij heeft zich uit [X] laten uitschrijven en heeft zich hier bij de BRP laten inschrijven. De kinderen gaan vanaf september 2021 naar school en appellante ontvangt vanaf 26 augustus 2021 een uitkering op grond van de Participatiewet. Onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie, M.A. tegen de Belgische Staat, is tot slot betoogd dat rekening moet worden gehouden met de belangen van het kind.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het juridisch kader
4.1.
In geschil is of appellante recht heeft op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2022. Van belang daarbij is of appellante op de peildata 1 juli 2021, 1 oktober 2021 en 1 januari 2022 ingezetene van Nederland was.
4.2.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
4.4.
De Raad heeft eerder geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen. Verder heeft de Raad vakergeoordeeld dat het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.
Duurzame band van persoonlijke aard met Nederland
4.5.
De Raad is van oordeel dat appellante op 1 juli 2021, 1 oktober 2021 en 1 januari 2022 nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Appellante heeft veertig jaar op [X] gewoond en daar twintig jaar gewerkt. Zij is in juni 2021 met twee kinderen en één kleinkind naar Nederland gekomen zonder voorbereidingen. Op die peildata in geding verbleef appellante nog maar kort in Nederland. Zij had geen woning die duurzaam tot haar beschikking stond: zij logeerde bij familie of bij kennissen, waar zij niet lang kon blijven, en vervolgens in een hotel. Daarnaast zijn haar moeder en één dochter (de moeder van [naam kleindochter]) op [X] achtergebleven in de woning waar ook appellante woonde. Appellante had geen familie in Nederland. Zij had geen wezenlijke bindingen met anderen dan de meegereisde familieleden noch met organisaties in Nederland. Dat appellante en haar kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, ingeschreven stonden bij de gemeente en dat de kinderen naar school gingen, is onvoldoende om appellante op de in geding zijnde kwartalen als ingezetene aan te merken.
4.6.
Een beroep op het arrest M.A. tegen België slaagt niet. Dit arrest ziet op een situatie waarop de EU-Terugkeerrichtlijn van toepassing is en is voor de zaak van appellante niet relevant. Voor zover appellante heeft willen betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met het belang van het kind, zoals neergelegd in het internationale recht en de rechtspraak, wordt verwezen naar een uitspraak van de Raad van 17 november 2022.
Conclusie
4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2024.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) R.R. Olde Engberink
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Algemene Kinderbijslagwet
Artikel 6, eerste lid
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Basisregistratie Personen.
Arrest van 11 maart 2021, C-112/20, ECLI:EU:C:2021:197.
Algemene Kinderbijslagwet.
Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.
In onder meer de uitspraak van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.
In onder meer de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182.
ECLI:NL:CRVB:2022:2438.