Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-07-02
ECLI:NL:CRVB:2024:1317
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,453 tokens
Inleiding
22/3181 PW, 22/3182 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
29 augustus 2022, 21/556 en 22/498 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [Appellant] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 2 juli 2024
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over een afgewezen aanvraag om bijstand en een buiten behandeling gestelde bijstandsaanvraag. De afwijzing en de buitenbehandelingstelling houden verband met de bedragen die appellant in een korte periode heeft opgenomen tot een totaalbedrag van ruim € 15.000,-. Het college stelt zich op het standpunt dat appellant over de besteding van dat bedrag onvoldoende informatie heeft verstrekt en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld dat appellant op het moment van de aanvraag het geld niet meer in zijn bezit had. Daardoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De rechtbank was het hiermee eens. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd over het verstrekken van informatie over de besteding van het opgenomen geld. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2024. Voor appellant is
mr. Van de Laar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P. Haex.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 5 augustus 2020 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend (aanvraag 1). Medewerkers van de gemeente Eindhoven hebben in verband daarmee een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellant. In het kader van dat onderzoek heeft appellant op verzoek van het college bankafschriften vanaf 1 januari 2020 overgelegd. De medewerkers hebben op de bankafschriften gezien dat appellant in de periode van 15 april 2020 tot en met 30 juni 2020 verschillende keren grote bedragen heeft opgenomen, tot soms wel € 6.000,- op een dag en tot een totaalbedrag van ruim € 15.000,- (opgenomen geld). Hierover heeft appellant tijdens een gesprek op 9 september 2020 tegenover de medewerkers eerst verklaard dat hij al het geld gebruikt heeft om schulden af te betalen die hij had bij familie in Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten en dat hij het geld contant heeft meegegeven aan mensen die naar Egypte zijn gegaan. Vervolgens heeft appellant verklaard dat hij € 11.000,- aan contant geld naar een oude vriend uit Egypte heeft gebracht, dat hij de naam van deze vriend niet wil noemen en dat van de leningen die hij had geen documenten zijn opgesteld.
1.2.
Met een brief van 15 september 2020 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk 25 september 2020 aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken waaruit blijkt hoe hij het opgenomen geld heeft besteed. Appellant heeft deze gegevens niet verstrekt.
1.3.
Met een besluit van 15 oktober 2020 heeft het college aanvraag 1 buiten behandeling gesteld. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarop het college met een besluit van 26 januari 2021 (bestreden besluit 1) heeft beslist. Met bestreden besluit 1 heeft het college aanvraag 1 alsnog afgewezen op de grond dat de financiële situatie van appellant onduidelijk is gebleven, omdat appellant niet heeft aangetoond hoe hij het opgenomen geld heeft besteed, en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.4.
Op 18 december 2020 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand op grond van de PW ingediend (aanvraag 2). Met een brief van 22 december 2020 heeft het college appellant gevraagd om uiterlijk op 1 januari 2021 aanvullende stukken in te dienen, waaronder bewijsstukken waarmee wordt aangetoond hoe hij het opgenomen geld heeft besteed. Het college heeft appellant er daarbij op gewezen dat als hij de gevraagde gegevens niet tijdig en compleet aanlevert, de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld. Met een brief van 8 januari 2021 heeft het college appellant erop gewezen dat hij nog niet alle gevraagde gegevens heeft aangeleverd en geen contact met de gemeente Eindhoven heeft opgenomen. Hierbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld deze gegevens uiterlijk op 22 januari 2021 alsnog te verstrekken. Appellant heeft de gevraagde bewijsstukken over de besteding van het opgenomen geld ook niet binnen de nader geboden termijn verstrekt.
1.5.
Met een besluit van 27 januari 2021 heeft het college aanvraag 2 buiten behandeling gesteld. Appellant heeft in bezwaar tegen dit besluit toegelicht dat hij het opgenomen geld heeft aangewend om in zijn levensonderhoud te voorzien, dat het bedrag op is en dat uit de bankafschriften blijkt dat hij meer dan € 10.000,- heeft opgenomen voor zogenoemde dagelijkse uitgaven.
1.6.
Met een besluit van 18 januari 2022 (bestreden besluit 2) heeft het college het besluit van 27 januari 2021 gehandhaafd. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat appellant met de toelichting in bezwaar de gevraagde bewijsstukken over de besteding van het opgenomen bedrag nog steeds niet heeft overgelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
2.1.
Over de afwijzing van aanvraag 1 heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Appellant heeft wisselende verklaringen afgelegd over hoe hij het opgenomen geld heeft besteed. Hij heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt hoe hij dat geld heeft besteed. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
2.2.
Over de buitenbehandelingstelling van aanvraag 2 heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het college heeft appellant na het indienen van de nieuwe aanvraag twee keer verzocht om bewijsstukken te verstrekken waaruit blijkt hoe hij het opgenomen geld heeft besteed. Appellant heeft echter geen bewijsstukken toegestuurd of op andere wijze inzicht gegeven in wat er met het bedrag is gebeurd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Over de afwijzing van aanvraag 1 heeft hij aangevoerd dat hij wel de benodigde duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie en dan met name over het opgenomen geld. Over de buiten behandelingstelling van aanvraag 2 heeft hij aangevoerd dat hij het college voldoende informatie heeft verstrekt om tot een beslissing op de aanvraag te komen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Wat appellant aanvoert is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van de bestreden besluiten. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. De onder 2.1 weergegeven overweging over de afwijzing van de aanvraag komt erop neer dat door de wisselende verklaringen die appellant heeft afgelegd over de besteding van het opgenomen geld en door het ontbreken van concrete en verifieerbare gegevens daarover niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre het opgenomen geld is besteed en dus ook niet of en, zo ja, in hoeverre appellant ten tijde van de aanvragen beschikte over dat geld.
4.2.
De gemachtigde van appellant heeft ter zitting nog aangevoerd dat het bedrag van € 15.000,- deels een lening was en deels viel onder het vrij te laten vermogen, zodat appellant maar over een klein gedeelte van het bedrag informatie hoefde te geven. Gezien zijn vermogenspositie had appellant dus recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag en de buitenbehandelingstelling in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.B. Yalçinkaya als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2024.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) N.B. Yalçinkaya