Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-07-02
ECLI:NL:CRVB:2024:1295
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,022 tokens
Procesverloop
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2023, 22/3501, in een geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
In dit geding heeft C.F.E. van Olden-Smit (behandelend rechter) als lid van de enkelvoudige kamer op 29 mei 2024 uitspraak gedaan.
Op 19 juni 2024 heeft verzoeker een verzoek om wraking tegen de behandelend rechter ingediend.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het is gedaan nadat in de hoofdzaak de einduitspraak openbaar is gemaakt.
3. In het voorliggende geval is op 29 mei 2024 in het openbaar uitspraak gedaan in de hoger beroepszaak van verzoeker en is het verzoek ingediend op 19 juni 2024. Dat betekent dat het verzoek is gedaan nadat de uitspraak openbaar is gemaakt. De wrakingskamer zal het verzoek daarom niet in behandeling nemen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en A. van Gijzen en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2024.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. ter Heerdt
Procesverloop
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2023, 22/3501, in een geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
In dit geding heeft C.F.E. van Olden-Smit (behandelend rechter) als lid van de enkelvoudige kamer op 29 mei 2024 uitspraak gedaan.
Op 19 juni 2024 heeft verzoeker een verzoek om wraking tegen de behandelend rechter ingediend.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het is gedaan nadat in de hoofdzaak de einduitspraak openbaar is gemaakt.
3. In het voorliggende geval is op 29 mei 2024 in het openbaar uitspraak gedaan in de hoger beroepszaak van verzoeker en is het verzoek ingediend op 19 juni 2024. Dat betekent dat het verzoek is gedaan nadat de uitspraak openbaar is gemaakt. De wrakingskamer zal het verzoek daarom niet in behandeling nemen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en A. van Gijzen en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2024.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. ter Heerdt