Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-27
ECLI:NL:CRVB:2024:1286
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Herziening
3,590 tokens
Inleiding
23/1817 WIA
Datum uitspraak: 27 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, 19/739 WIA
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Wat verzoekster heeft aangevoerd is niet voldoende om te oordelen dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening slaagt en daarom wijst de Raad het verzoek af.
Procesverloop
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2020 en heeft daarbij nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2024. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, advocaat. Het Uwv is heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Verzoekster is op 29 oktober 2011 vanwege lichamelijke klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als leerling verzorgende voor 28 uur per week. Op 11 juli 2013 heeft zij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 20 september 2013 heeft het Uwv geweigerd om verzoekster per 26 oktober 2013 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Verzoekster heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 18 maart 2018 heeft verzoekster met ingang van dezelfde datum opnieuw een WIAuitkering aangevraagd. Onder verwijzing naar het besluit van 20 september 2013 heeft het Uwv deze aanvraag bij besluit van 21 maart 2018 afgewezen. Aan de aanvraag van 18 maart 2018 lag geen nieuwe of andere informatie ten grondslag, daarom is het Uwv bij de beslissing van 20 september 2013 gebleven.
1.3.
Met een beslissing op bezwaar van 8 augustus 2018 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 21 maart 2018, onder verwijzing naar artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongegrond verklaard.
1.4.
Het beroep van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van 8 augustus 2018 is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij uitspraak van 8 januari 2019 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 december 2020, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.5.
Met een besluit van 29 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd om verzoekster met ingang van 18 maart 2017 een WIA-uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar van verzoekster tegen dat besluit is bij beslissing op bezwaar van 15 augustus 2019 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. In beroep heeft de rechtbank verzekeringsarts E.P.D. Siem-Yoe als deskundige ingeschakeld voor onderzoek. De deskundige is in een rapport van 13 oktober 2020 tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsartsen van het Uwv de lichamelijke beperkingen van verzoekster op 18 maart 2017 hebben onderschat. De rechtbank heeft met een uitspraak van 10 januari 2023 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2019 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
1.6.
Met een nieuwe beslissing op bezwaar van 9 mei 2023 heeft het Uwv aan verzoekster met ingang van 18 maart 2017 een IVA-uitkering toegekend.
2.1.
Verzoekster heeft de Raad verzocht om de uitspraak van 3 december 2020 te herzien. Gelet op het onderzoek van de deskundige van 13 oktober stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij per 26 oktober 2013 in aanmerking dient te komen voor een WIA-uitkering en dat de WIA-uitkering per die datum ten onrechte is geweigerd omdat de klachten toen al aanwezig waren.
2.2.
Het Uwv heeft verzocht het verzoek om herziening af te wijzen.
Beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over de betreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen als is voldaan aan de strikte cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
3.3.
Verzoekster heeft aangevoerd dat het rapport van verzekeringsarts Siem-Yoe een nieuw feit of nieuwe omstandigheid is op grond waarvan tot herziening van de uitspraak van 3 december 2020 gekomen moet worden. Het rapport van verzekeringsarts Siem-Yoe was echter al bekend ten tijde van de uitspraak van de Raad van 3 december 2020. De Raad is in overweging 4.3 van die uitspraak ingegaan op dit rapport waarbij is geoordeeld dat dit rapport geen aanleiding geeft om ten aanzien van de datum in geding, te weten 26 oktober 2013, te concluderen dat verweerder aanleiding had moeten zien om terug te komen van de weigering van de WIA uitkering. Daarom voldoet het verzoek niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen. Met wat verzoekster heeft aangevoerd, probeert zij in feite opnieuw, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, de discussie te voeren over de zaak waarover onherroepelijk is beslist bij de uitspraak van 3 december 2020. Het rechtsmiddel van herziening is daarvoor niet bedoeld.
Conclusie
4. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 3 december 2020 in stand blijft.
5. Omdat het verzoek wordt afgewezen krijgt verzoekster geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) S.C. Scholten
ECLI:NL:CRVB:2020:3050.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2791.
Inleiding
23/1817 WIA
Datum uitspraak: 27 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, 19/739 WIA
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Wat verzoekster heeft aangevoerd is niet voldoende om te oordelen dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening slaagt en daarom wijst de Raad het verzoek af.
Procesverloop
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2020 en heeft daarbij nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2024. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, advocaat. Het Uwv is heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Verzoekster is op 29 oktober 2011 vanwege lichamelijke klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als leerling verzorgende voor 28 uur per week. Op 11 juli 2013 heeft zij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 20 september 2013 heeft het Uwv geweigerd om verzoekster per 26 oktober 2013 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Verzoekster heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 18 maart 2018 heeft verzoekster met ingang van dezelfde datum opnieuw een WIAuitkering aangevraagd. Onder verwijzing naar het besluit van 20 september 2013 heeft het Uwv deze aanvraag bij besluit van 21 maart 2018 afgewezen. Aan de aanvraag van 18 maart 2018 lag geen nieuwe of andere informatie ten grondslag, daarom is het Uwv bij de beslissing van 20 september 2013 gebleven.
1.3.
Met een beslissing op bezwaar van 8 augustus 2018 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 21 maart 2018, onder verwijzing naar artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongegrond verklaard.
1.4.
Het beroep van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van 8 augustus 2018 is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij uitspraak van 8 januari 2019 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 december 2020, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.5.
Met een besluit van 29 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd om verzoekster met ingang van 18 maart 2017 een WIA-uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar van verzoekster tegen dat besluit is bij beslissing op bezwaar van 15 augustus 2019 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. In beroep heeft de rechtbank verzekeringsarts E.P.D. Siem-Yoe als deskundige ingeschakeld voor onderzoek. De deskundige is in een rapport van 13 oktober 2020 tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsartsen van het Uwv de lichamelijke beperkingen van verzoekster op 18 maart 2017 hebben onderschat. De rechtbank heeft met een uitspraak van 10 januari 2023 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2019 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
1.6.
Met een nieuwe beslissing op bezwaar van 9 mei 2023 heeft het Uwv aan verzoekster met ingang van 18 maart 2017 een IVA-uitkering toegekend.
2.1.
Verzoekster heeft de Raad verzocht om de uitspraak van 3 december 2020 te herzien. Gelet op het onderzoek van de deskundige van 13 oktober stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij per 26 oktober 2013 in aanmerking dient te komen voor een WIA-uitkering en dat de WIA-uitkering per die datum ten onrechte is geweigerd omdat de klachten toen al aanwezig waren.
2.2.
Het Uwv heeft verzocht het verzoek om herziening af te wijzen.
Beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over de betreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen als is voldaan aan de strikte cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
3.3.
Verzoekster heeft aangevoerd dat het rapport van verzekeringsarts Siem-Yoe een nieuw feit of nieuwe omstandigheid is op grond waarvan tot herziening van de uitspraak van 3 december 2020 gekomen moet worden. Het rapport van verzekeringsarts Siem-Yoe was echter al bekend ten tijde van de uitspraak van de Raad van 3 december 2020. De Raad is in overweging 4.3 van die uitspraak ingegaan op dit rapport waarbij is geoordeeld dat dit rapport geen aanleiding geeft om ten aanzien van de datum in geding, te weten 26 oktober 2013, te concluderen dat verweerder aanleiding had moeten zien om terug te komen van de weigering van de WIA uitkering. Daarom voldoet het verzoek niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen. Met wat verzoekster heeft aangevoerd, probeert zij in feite opnieuw, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, de discussie te voeren over de zaak waarover onherroepelijk is beslist bij de uitspraak van 3 december 2020. Het rechtsmiddel van herziening is daarvoor niet bedoeld.
Conclusie
4. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 3 december 2020 in stand blijft.
5. Omdat het verzoek wordt afgewezen krijgt verzoekster geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) S.C. Scholten
ECLI:NL:CRVB:2020:3050.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2791.