Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-20
ECLI:NL:CRVB:2024:1239
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,211 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 20 juni 2024
23/2530 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juni 2023, 22/4052
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Overwegingen
In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de uitspraak van de rechtbank door middel van toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 3 juli 2023 in afschrift aan partijen toegezonden. Het beroepschrift is op 28 augustus 2023 ontvangen. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat staat in artikel 6:11 van de Awb, dat ook in hoger beroep van toepassing is. Het gaat daarbij om de vraag of het niet tijdig indienen van het beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Als de indiener wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener of andere bijstandsverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van de indiener. Bij een niet-professionele bijstandsverlener, zoals hier aan de orde, is de termijnoverschrijding niet toerekenbaar als deze het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen moeten alle omstandigheden van het geval in hun samenhang worden bezien.
Bij brief van 18 september 2023 is aan de gemachtigde van appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
De gemachtigde van appellant heeft daarop bij brief van 7 november 2023 geantwoord dat hij vanwege enorme drukte van lopende werkzaamheden niet voldoende aandacht heeft gehad voor de gestelde termijn. Ook bleek hij meer tijd nodig te hebben voor het verzamelen van informatie van appellant, dan hij op voorhand had ingeschat.
De gemachtigde heeft daarmee geen (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
Bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb gaat het om een gebonden bevoegdheid. Als eenmaal is vastgesteld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het hoger beroep nietontvankelijk worden verklaard. In dat geval is een belangenafweging niet mogelijk. Dat betekent onder meer dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn.
Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.